ECLI:NL:GHDHA:2017:1443

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
16 mei 2017
Publicatiedatum
22 mei 2017
Zaaknummer
200.210.023/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 285 FwArt. 288 lid 1 FwArt. 288 lid 3 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toepassing hardheidsclausule bij schuldsaneringsregeling na beëindiging ondernemingsactiviteiten

Appellante heeft bij de rechtbank een verzoek ingediend tot toelating tot de schuldsaneringsregeling wegens een schuldenlast van ruim €60.000. De rechtbank wees dit verzoek af omdat onvoldoende aannemelijk was dat zij te goeder trouw was geweest bij het ontstaan en onbetaald laten van haar schulden in de vijf jaar voorafgaand aan het verzoek.

In hoger beroep stelt appellante dat zij weliswaar formeel eigenaar was van twee ondernemingen, maar dat haar ex-partner deze feitelijk dreef en zij niet op de hoogte was van de schulden. Zij heeft de ondernemingen in 2014 gestaakt en sindsdien geen nieuwe schulden meer gemaakt. Tevens woont zij bij haar moeder en werkt parttime in de thuiszorg, wat een stabiele situatie weerspiegelt.

Het hof oordeelt dat ondanks het ontbreken van volledige jaarstukken, voldoende aannemelijk is dat appellante de omstandigheden die tot de schulden hebben geleid onder controle heeft gekregen. Daarom past het hof de hardheidsclausule toe en vernietigt het het vonnis van de rechtbank. Appellante wordt toegelaten tot de schuldsaneringsregeling onder de voorwaarde dat zij zich aan alle verplichtingen houdt en streeft naar een fulltime baan.

De zaak wordt verwezen naar de rechtbank voor uitvoering van de regeling.

Uitkomst: Het hof vernietigt het vonnis van de rechtbank en wijst appellante toe tot de schuldsaneringsregeling op basis van de hardheidsclausule.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht
Zaaknummer : 200.210.023/01
Rekestnummer rechtbank : C/09/520445 / FT RK 16/2284

arrest van 16 mei 2017

inzake

[naam] ,

wonende te [woonplaats] ,
appellante,
hierna te noemen: [appellante] ,
advocaat: mr. A.W. van Luipen te Zeist.

Het geding

Bij verzoekschrift (met producties), ingekomen ter griffie van het hof op 21 februari 2017, heeft [appellante] hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 16 februari 2017, waarbij haar verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling is afgewezen. Zij verzoekt het hof het vonnis waarvan hoger beroep te vernietigen en haar alsnog toe te laten tot de schuldsaneringsregeling. Bij brief van 3 mei 2017 is het proces-verbaal van de behandeling bij de rechtbank aan het hof toegezonden en bij brief van 8 mei 2017 is nog een productie overgelegd.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 9 mei 2017. Verschenen is: [appellante] , bijgestaan door haar advocaat en vergezeld door haar moeder en een vriendin.

Beoordeling van het hoger beroep

1. [appellante] heeft op 24 oktober 2016 bij de rechtbank een verzoek ingediend om toegelaten te worden tot de schuldsaneringsregeling. Volgens de aan het hof overgelegde bijlage ex artikel 285 Faillissementswet Pro (Fw) is sprake van een totale schuldenlast van € 60.653,33.
2. De rechtbank heeft het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling afgewezen op grond van het oordeel dat onvoldoende aannemelijk is dat [appellante] ten aanzien van het ontstaan en/of onbetaald laten van haar schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest (artikel 288 lid 1 aanhef Pro en onder b Fw).
3. De grieven en argumenten van [appellante] kunnen als volgt worden samengevat.
[appellante] heeft gesteld dat zij weliswaar op papier eigenaar van de schoenenwinkel en het restaurant was, maar dat beide ondernemingen werden gedreven door haar ex-partner. Haar ex-partner beheerde de financiën en de administratie en [appellante] wist langere tijd niet van de schulden die kennelijk ontstonden. De administratie die niet eerder tot haar beschikking stond heeft zij inmiddels bij de boekhouder opgehaald. Met de hulp van een derde heeft zij de jaarstukken voor 2013 kunnen opmaken.
Verder heeft [appellante] een beroep gedaan op de hardheidsclausule van artikel 288 lid 3 Fw Pro. Met het beëindigen van de relatie met haar ex-partner en het staken van de ondernemingsactiviteiten is de oorzaak van het onbetaald laten van vorderingen en het ontstaan van nieuwe schulden geheel weggenomen, aldus [appellante] . Verder zijn er sinds augustus 2014 geen nieuwe schulden meer ontstaan.
4. Het hof is van oordeel dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat niet kan worden beoordeeld of [appellante] ten aanzien van het ontstaan en/of onbetaald laten van haar schulden te goeder trouw is geweest, nu ook in hoger beroep de jaarstukken 2012 en 2014 van de door [appellante] gevoerde ondernemingen ontbreken en derhalve geen volledig inzicht in de bedrijfsvoering van de ondernemingen is verkregen. Het hof ziet in dit geval echter aanleiding voor toepassing van de hardheidsclausule. Voldoende aannemelijk is geworden dat [appellante] de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan of onbetaald laten van haar schulden, onder controle heeft gekregen. Daartoe wordt het volgende overwogen. Een aanzienlijk deel van de schuldenlast houdt verband met de door [appellante] gevoerde ondernemingen. [appellante] heeft haar ondernemingen in juli en augustus 2014 gestaakt. Sindsdien is [appellante] geen ondernemer meer en zijn er geen nieuwe schulden meer ontstaan. Verder is [appellante] thans niet meer samen met haar ex-partner, die, volgens [appellante] , de ondernemingen feitelijk heeft gedreven. [appellante] heeft op dit moment een stabiele leefsituatie. Zij woont bij haar moeder en heeft een parttime baan in de thuiszorg voor gemiddeld 20 uur per week.
[appellante] heeft zich verder saneringsgezind getoond door - hangende het geding in hoger beroep - alsnog een gedeelte van de administratie van de ondernemingen tot haar beschikking te krijgen en met de hulp van een derde jaarstukken over het jaar 2013 op te maken.
Gelet op het voorgaande is voldoende aannemelijk dat [appellante] zowel haar financiële als persoonlijke situatie onder controle heeft gekregen als bedoeld in artikel 288 lid 3 Fw Pro.
5. Het hof acht derhalve het beroep op de hardheidsclausule geslaagd, hetgeen betekent dat [appellante] kan worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling.
6. Het hof wijst er wel op dat voor een succesvolle afronding van de schuldsanering is vereist dat [appellante] alles in het werk zal stellen om een fulltime baan te vinden, de door de te benoemen bewindvoerder gegeven aanwijzingen stipt zal opvolgen en dat [appellante] ook overigens, gevraagd én ongevraagd, aan alle verplichtingen die de wettelijke regeling haar oplegt zal voldoen, bij gebreke waarvan de schuldsaneringsregeling tussentijds zal kunnen worden beëindigd dan wel aan het einde van de schuldsaneringsregeling haar de zogenaamde ‘schone lei’ zal kunnen worden onthouden.
7. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het bestreden vonnis dient te worden vernietigd en [appellante] dient te worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling.

Beslissing

Het hof:
- vernietigt het vonnis van de rechtbank Den Haag van 16 februari 2017;
- spreekt de toepassing van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van [appellante] uit;
- verwijst de zaak naar voornoemde rechtbank ter uitvoering van de schuldsaneringsregeling.
Dit arrest is gewezen door mrs. P.W. van Baal, M.C.M. van Dijk en D. Aarts en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 mei 2017 in aanwezigheid van de griffier.
Bij afwezigheid van de voorzitter ondertekend door de oudste raadsheer.