ECLI:NL:GHDHA:2017:1443
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Toepassing hardheidsclausule bij schuldsaneringsregeling na beëindiging ondernemingsactiviteiten
Appellante heeft bij de rechtbank een verzoek ingediend tot toelating tot de schuldsaneringsregeling wegens een schuldenlast van ruim €60.000. De rechtbank wees dit verzoek af omdat onvoldoende aannemelijk was dat zij te goeder trouw was geweest bij het ontstaan en onbetaald laten van haar schulden in de vijf jaar voorafgaand aan het verzoek.
In hoger beroep stelt appellante dat zij weliswaar formeel eigenaar was van twee ondernemingen, maar dat haar ex-partner deze feitelijk dreef en zij niet op de hoogte was van de schulden. Zij heeft de ondernemingen in 2014 gestaakt en sindsdien geen nieuwe schulden meer gemaakt. Tevens woont zij bij haar moeder en werkt parttime in de thuiszorg, wat een stabiele situatie weerspiegelt.
Het hof oordeelt dat ondanks het ontbreken van volledige jaarstukken, voldoende aannemelijk is dat appellante de omstandigheden die tot de schulden hebben geleid onder controle heeft gekregen. Daarom past het hof de hardheidsclausule toe en vernietigt het het vonnis van de rechtbank. Appellante wordt toegelaten tot de schuldsaneringsregeling onder de voorwaarde dat zij zich aan alle verplichtingen houdt en streeft naar een fulltime baan.
De zaak wordt verwezen naar de rechtbank voor uitvoering van de regeling.
Uitkomst: Het hof vernietigt het vonnis van de rechtbank en wijst appellante toe tot de schuldsaneringsregeling op basis van de hardheidsclausule.