ECLI:NL:GHDHA:2017:1420

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
17 mei 2017
Publicatiedatum
19 mei 2017
Zaaknummer
2200333416
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 231 SrArtikel 31 Verdrag betreffende de status van vluchtelingen
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid OM wegens lopende asielprocedure verdachte

Het gerechtshof Den Haag behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in Rotterdam betreffende een verdachte die werd vervolgd voor het gebruik van een niet op haar naam gesteld paspoort. De verdachte had na haar aanhouding in Nederland asiel aangevraagd en op die aanvraag was nog geen definitieve beslissing genomen.

Het hof oordeelde dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk is in de vervolging zolang de eerste asielaanvraag in Nederland niet onherroepelijk is beslist. Dit volgt uit de jurisprudentie van de Hoge Raad, die bepaalt dat de strafrechter zich in beginsel moet onthouden van een zelfstandig oordeel over het beroep op vluchtelingenstatus en dat vervolging pas mogelijk is als vaststaat dat het beroep ongegrond is.

De feiten betroffen een reis van de verdachte met Stena Line van Hoek van Holland naar Groot-Brittannië, waar haar toegang werd geweigerd vanwege een niet-overeenkomend gezicht met de pasfoto. Bij terugkomst in Nederland werd zij aangehouden. Het hof vernietigde het vonnis van de politierechter en verklaarde het OM niet-ontvankelijk in de vervolging.

De uitspraak benadrukt de bescherming die het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen biedt aan vreemdelingen in een strafprocedure en bevestigt dat de strafrechter geen eigen oordeel mag vormen over de vluchtelingenstatus zolang de bestuursrechter hierover nog niet definitief heeft beslist.

Uitkomst: Het Openbaar Ministerie wordt niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging wegens lopende asielprocedure.

Uitspraak

Rolnummer: 22-003334-16
Parketnummer: 10-651023-16
Datum uitspraak: 17 mei 2017
TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 15 juli 2016 in de strafzaak tegen de verdachte (bekend onder de naam):

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1995,
thans zonder bekende vaste woon- of verblijfplaats hier te lande.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op 3 mei 2017.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft primair gevorderd dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in de strafvervolging en dat de verdachte ter zake van het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden, waarvan één maand voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met aftrek van voorarrest. Subsidiair heeft zij gevorderd dat de zaak zal worden aangehouden voor onbepaalde tijd.
Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie
Overeenkomstig het standpunt van de verdediging, is het hof is van oordeel dat het Openbaar Ministerie thans niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van de verdachte ter zake van het ten laste gelegde feit.
Het hof gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden:
- de verdachte is op 13 juli 2016 met Stena Line van Hoek van Holland naar Harwich (Groot-Brittannië) gereisd. In Harwich is haar de toegang tot Groot-Brittannië ontzegd omdat haar gezicht niet overeenkwam met de foto in het Nederlandse paspoort dat zij aanbood;
- de verdachte is op 14 juli 2016 bij haar terugkomst in Nederland aangehouden door de Koninklijke Marechaussee, op verdenking van het op 13 juli 2016 gebruik maken van een niet op haar naam gesteld paspoort;
- na haar aanhouding heeft de verdachte in Nederland asiel aangevraagd. Tot op heden is hierop nog niet beslist;
- voordat de verdachte vanaf Nederland naar Groot-Brittannië wilde reizen, verbleef zij naar eigen zeggen gedurende iets minder dan een maand in Nederland;
- de verdachte komt oorspronkelijk uit Koeweit, maar is naar eigen zeggen gevlucht voor haar stiefvader en op haar eigen paspoort en een regulier verkregen Nederlands visum Nederland binnengekomen.
Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 6 november 2012 (LJN: BW9266) stelt het hof voorop dat uit de strekking van artikel 31 van Pro het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen (hierna: het Verdrag) voortvloeit dat het Openbaar Ministerie in de op artikel 231 van Pro het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) gebaseerde vervolging van een verdachte die vreemdeling is en zich tegen de beschuldiging verweert met een beroep op de bescherming die deze verdragsbepaling beoogt te bieden, slechts dan ontvankelijk is indien onverwijld en zonder nader onderzoek door de strafrechter kan worden vastgesteld dat de stelling van de vreemdeling dat hij een vluchteling is in de zin van het Verdrag ongegrond is. In dat arrest is voorts overwogen dat de beslissing op een asielaanvraag, en dus ook het oordeel omtrent de aannemelijkheid van het aan de asielaanvraag ten grondslag liggende vluchtrelaas, is voorbehouden aan de Minister en - na ingesteld beroep - aan de bestuursrechter en dat de strafrechter zich in beginsel van een zelfstandig oordeel over het beroep van de vreemdeling op zijn vluchtelingenstatus moet onthouden. Daarbij is voorts benadrukt dat, mede gelet op de moeilijke bewijspositie die de vreemdeling heeft bij de onderbouwing van zijn beroep op de vluchtelingenstatus, de vreemdeling die wordt vervolgd ter zake van artikel 231 Sr Pro ook een beroep op artikel 31 van Pro het Verdrag toekomt indien nog niet vaststaat dat hij aan alle voorwaarden voor erkenning als vluchteling voldoet.
Aan voornoemd arrest heeft de Hoge Raad nader invulling gegeven in zijn arrest van 28 mei 2013 (LJN: BY4310). Hierin wordt als vuistregel aangenomen dat de vreemdeling niet behoort te worden vervolgd wegens het onmiskenbaar in het kader van zijn vlucht in het bezit hebben of aangewend hebben van vervalste documenten zolang - kort gezegd - op de door de vreemdeling gedane eerste asielaanvraag nog niet onherroepelijk is beslist.
Gelet op het feit dat in Nederland nog niet onherroepelijk op de aldaar gedane eerste asielaanvraag van de verdachte, reizende vanuit Koeweit en op doorreis naar Groot-Brittannië, is beslist, in het licht bezien van voormelde jurisprudentie van de Hoge Raad, verklaart het hof het Openbaar Ministerie ter zake van het ten laste gelegde thans niet-ontvankelijk in zijn strafvervolging.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart het Openbaar Ministerie ter zake van het ten laste gelegde niet-ontvankelijk in zijn strafvervolging.
Dit arrest is gewezen door mr. E.F. Lagerwerf-Vergunst, mr. C.G.M. van Rijnberk en mr. R.F. de Knoop, in bijzijn van de griffier mr. A.F. Verbunt.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 17 mei 2017.
Mr. R.F. de Knoop is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.