ECLI:NL:GHDHA:2017:1420
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid OM wegens lopende asielprocedure verdachte
Het gerechtshof Den Haag behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in Rotterdam betreffende een verdachte die werd vervolgd voor het gebruik van een niet op haar naam gesteld paspoort. De verdachte had na haar aanhouding in Nederland asiel aangevraagd en op die aanvraag was nog geen definitieve beslissing genomen.
Het hof oordeelde dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk is in de vervolging zolang de eerste asielaanvraag in Nederland niet onherroepelijk is beslist. Dit volgt uit de jurisprudentie van de Hoge Raad, die bepaalt dat de strafrechter zich in beginsel moet onthouden van een zelfstandig oordeel over het beroep op vluchtelingenstatus en dat vervolging pas mogelijk is als vaststaat dat het beroep ongegrond is.
De feiten betroffen een reis van de verdachte met Stena Line van Hoek van Holland naar Groot-Brittannië, waar haar toegang werd geweigerd vanwege een niet-overeenkomend gezicht met de pasfoto. Bij terugkomst in Nederland werd zij aangehouden. Het hof vernietigde het vonnis van de politierechter en verklaarde het OM niet-ontvankelijk in de vervolging.
De uitspraak benadrukt de bescherming die het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen biedt aan vreemdelingen in een strafprocedure en bevestigt dat de strafrechter geen eigen oordeel mag vormen over de vluchtelingenstatus zolang de bestuursrechter hierover nog niet definitief heeft beslist.
Uitkomst: Het Openbaar Ministerie wordt niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging wegens lopende asielprocedure.