Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 6 december 2016
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
Algemeen
Enkele feiten
Gezag van gewijsde
- Het hof heeft bij de beslissing over de verzoeken van partijen met betrekking tot de woning de overeenkomst buiten beschouwing gelaten. Dit betekent dat het hof niet inhoudelijk heeft beslist omtrent de desbetreffende rechtsbetrekking in geschil;
- De grondslag van het verzoek van de man in de echtscheidingsprocedure en die in de dagvaardingsprocedure is voorts wezenlijk verschillend;
- Het hof heeft geoordeeld dat de man door betaling heeft voldaan aan een natuurlijke verbintenis, zodat hij daarvan geen terug betaling kan vorderen. De man beoogt niet dit oordeel aan te vechten voor zover het de betaling van de koopsom van de woning betreft.
- Tussen partijen is in geschil of de man aanspraak kan maken op een vergoedingsrecht ten aanzien van de door hem gestelde uit zijn privévermogen gedane investeringen in de eenvoudige gemeenschap van woning van partijen;
- Bij beschikking van 5 juni 2013 heeft het hof het bestaan van een natuurlijke verbintenis ten aanzien van de investeringen van de man in de gemeenschap van woning aangenomen en bepaald dat de vrouw gerechtigd is tot de helft van de getaxeerde waarde van de woning, waarop geen vergoedingsrecht van de man in mindering behoort te strekken;
- Op grond van art 236 Rv Pro heeft deze beslissing van het hof, in een ander geding tussen partijen bindende kracht. Hetgeen in onderhavig kwestie tot gevolg heeft dat het op grond van de beschikking d.d. 5 juni 2013 de man geen aanspraak kan maken op een vergoedingsrecht ten aanzien van de door hem gedane investeringen in de gemeenschap van woning. De strekking van art 236 Rv Pro brengt mee dat partijen een eerder beslist geschilpunt niet telkens opnieuw aan de orde kunnen stellen met een beroep op nieuwe juridische en feitelijke stellingen;
- De man meent evenwel in onderhavige procedure alsnog aanspraak te kunnen maken op een vergoedingsrecht op de gemeenschap van woning van € 535.311,23 ten behoeve van de door hem gestelde investeringen in de woning.
- De man lijkt zich in onderhavige procedure op het standpunt te stellen dat er sprake is van een nieuw geschilpunt waarover nog niet is beslist zodat art 236 Rv Pro geen toepassing vindt;
- Anders dan de man meent is bij beslissing van 5 juni 2013 wel degelijk inhoudelijk beslist op het door de man opgeworpen geschilpunt tussen partijen;
- Op grond van vaste rechtspraak is stellig sprake van een zelfde rechtsbetrekking in geschil indien een afgewezen vordering opnieuw wordt ingesteld, ook al wordt nieuw bewijsmateriaal bijeengebracht of de grondslag nader onderbouwd met aanvullende feiten zodat de vordering van de man ook om die reden op grond van art 236 Rv Pro dient te worden afgewezen.