Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 12 juli 2016 (bij vervroeging)
Interparking Nederland B.V.,
1. de Gemeente Vlaardingen,
2. B.V. Parkeergarage Vlaardingen,
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
"163. Vraag
“32. Vraag
“Deze bieding brengen wij uit in de veronderstelling dat minimaal hetzelfde parkeerbeleid op straat van toepassing blijft”, als een aan de bieding verbonden voorwaarde heeft mogen opvatten.
“in de veronderstelling dat minimaal het huidige parkeerbeleid op straat van toepassing blijft”moet worden gelezen tegen de hiervoor geschetste achtergrond. In dat licht bezien kan deze mededeling van Interparking naar het oordeel van het hof niet anders worden begrepen dan dat Interparking zich alleen onvoorwaardelijk committeert aan het door haar geboden bedrag als de gemeente het parkeerbeleid op straat niet wijzigt, en niet, althans niet zonder meer als dat beleid wel wordt gewijzigd (bedoeld zal zijn: in een voor de exploitant van de parkeergarages ongunstige zin). Door de veronderstelling, oftewel aanname, van (minimaal) een ongewijzigd parkeerbeleid op straat aan haar bieding te verbinden, heeft Interparking haar inschrijving daarmee afhankelijk gemaakt van een bepaalde omstandigheid (ongewijzigd parkeerbeleid op straat) waarvan op dat moment hoogst onzeker was dat die zou blijven bestaan. Dit betekent dat de bewuste zin, op zich beschouwd, de door Interparking gedane bieding voorwaardelijk maakt.