Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
1.Gemeente Wassenaar,
1.Het geding
2.De beoordeling in hoger beroep
De betreffende brigadier heeft uiteindelijk op 11 maart 2013 een proces-verbaal van bevindingen opgemaakt naar aanleiding van een daartoe strekkend verzoek van de door [appellante] ingeschakelde verkeersongevallendeskundige Meuwissen. Dat proces-verbaal vermeldt in antwoord op aan [H] gestelde vragen onder meer:
- voor recht te verklaren dat de gemeente aansprakelijk is voor de door [dochter] als gevolg van het ongeval geleden en nog te lijden schade;
- de gemeente te veroordelen om aan [dochter] de door haar geleden en nog te lijden schade te vergoeden, nader op te maken bij staat;
- Achmea te veroordelen om alle uitkeringen die zij ter zake van dit ongeval onder de aansprakelijkheidsverzekering verricht rechtstreeks aan [dochter] , althans [appellante] , over te maken;
- met hoofdelijk veroordeling van de gemeente en Achmea in de proceskosten, waaronder begrepen de nakosten met wettelijke rente;
- en met hoofdelijke veroordeling van de gemeente en Achmea, tot terugbetaling van hetgeen [appellante] uit hoofde van het eindvonnis in eerste aanleg heeft voldaan.
De toedracht van het onderhavige ongeluk is niet vast komen te staan. Er is geen sprake is geweest van onvoldoende onderhoud en er heeft zich hier niet een situatie voor gedaan die alsnog noopte tot het nemen van tussentijdse maatregelen (waarbij te denken valt aan ad hoc herstel of waarschuwing van weggebruikers). Aan de conclusie van (de door [appellante] ingeschakelde deskundige) Meuwissen dat het fietspad zonder meer als gebrekkig moet worden aangemerkt vanwege het potentiële gevaar van vallen als gevolg van de “boogvorm “ van de scheur, wordt voorbij gegaan. Er is geen sprake van een gebrekkige opstal en de gemeente kan evenmin in voorkomend geval op grond van onrechtmatige daad aansprakelijk worden gehouden, zodat bewijslevering met betrekking tot de gestelde toedracht achterwege kan blijven.
inde scheur terecht kan komen of daarin “vast kan komen te zitten”. Hij wijst daarentegen op het specifieke gevaar dat het wiel “gaat zoeken” door de onregelmatige vorm en diepte van de scheur, dat dit instabiele gedrag (al) begint aan de start van de oneffenheid (het begin van de circa 5 meter lange scheur, hof) en dat de fiets hierdoor in onbalans raakt. Juist die onbalans bij het rijden over de scheur (niet een eventueel “vast zitten” van het wiel in de scheur) vormt volgens Meuwissen het gevaar (dat volgens hem nog wordt vergroot als er met lage snelheid wordt gereden en/of als er iemand achterop de fiets meerijdt). Nu het gevaar dus niet is gelegen in het eventueel vast komen te zitten van een fietswiel in de scheur, is verder niet van belang dat niet meer vastgesteld kan worden dat sprake zou zijn van enige “dwarsonvlakheid” van de scheur (zoals door de gemeente c.s. bedoeld 102). In dit verband bezien, is de verwijzing in het rapport van Meuwissen naar de vermelding “matig” in de CROW-richtlijn (tabel 3.1. Ernst van scheurvorming bij asfaltbetonverhardingen) bovendien niet als doorslaggevend te beschouwen. Meuwissen wijst er overigens nog uitdrukkelijk op dat de indeling in ernstklassen voor fietsverkeer anders moet worden geïnterpreteerd dan voor autoverkeer, in die zin dat wat voor autoverkeer als minder ernstig c.q. gevaarlijk kan worden gezien, voor eensporige voertuigen als fietsen juist wel ernstig/gevaarlijk is (zie p. 11 van zijn rapport). Dat Meuwissen met betrekking tot de vorm van de scheur de term “boogvorm” hanteert, doet overigens - anders dan de gemeente c.s. meent - niet af aan zijn conclusies, nu hij daarmee onmiskenbaar doelt op het (duidelijk op die foto’s zichtbare) grillige (slingerende/ meanderende) verloop van de scheur in de lengterichting. Dat hij juist op dit grillige patroon doelt, blijkt immers uit het door hem met een gele stippellijn gemarkeerde, slingerende verloop van de scheur zoals is te zien op de foto geplaatst op p. 8 van zijn rapport.
in hoger beroep opnieuw recht doende:
- veroordeelt de gemeente en Achmea hoofdelijk, des dat een betalende de ander zal worden bevrijd, in de proceskosten in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [appellante] begroot op € 401,90 aan verschotten (€ 93,90 aan explootkosten en € 308,- aan griffierecht) en € 2.235,- aan salaris advocaat;
- verklaart dit arrest ten aanzien van de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.