Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Arrest d.d. 2 februari 2016
[naam],
DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Veiligheid en Justitie),
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
.”
grief Ivoert [appellant] aan dat sprake is van onrechtmatige rechtspraak. Bij de beoordeling van deze grief staat het volgende voorop. Volgens vaste rechtspraak staan het gesloten stelsel en de wettelijke taakverdeling tussen de burgerlijke en strafrechter er in beginsel aan in de weg dat de juistheid van een strafrechtelijke beslissing of de aanvaardbaarheid van de strafrechtelijke procesgang die tot die beslissing heeft geleid, door middel van een actie uit onrechtmatige daad bij de civiele rechter ter discussie wordt gesteld. Deze regel lijdt uitzondering indien (i) bij de voorbereiding van een rechterlijke beslissing zo fundamentele rechtsbeginselen zijn veronachtzaamd dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling als bedoeld in artikel 6 EVRM Pro niet kan worden gesproken, en (ii) tegen die beslissing geen rechtsmiddel openstaat of heeft opengestaan. Ook de rechtbank heeft deze maatstaf gehanteerd en [appellant] heeft daartegen – terecht – geen klacht gericht.
grief IIbetoogt [appellant] dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld jegens hem door in strijd met het bepaalde in artikel 5 EVRM Pro aan hem de maatregel van TBS op te leggen. In dit verband herhaalt [appellant] dat bij hem nooit een daadwerkelijke geestesstoornis (
“a true mental disorder”, vgl EHRM 28 mei 1985, NJ 1991, 623) is vastgesteld door een medisch deskundige en dat daarom geen sprake is van
“lawful detention”als bedoeld in artikel 5 lid 1 EVRM Pro. Zelfs al is het gehele strafrechtelijke traject jegens [appellant] volgens de regels der kunst verlopen, dan nog is de tenuitvoerlegging van de TBS volgens [appellant] onrechtmatig, omdat nooit sprake is geweest van een psychische stoornis. Daarbij is niet van belang dat dit laatste pas achteraf is gebleken. De Staat heeft immers het risico genomen om zonder medische diagnose waaruit een
“true mental disorder” blijkt, de TBS-maatregel te executeren, aldus [appellant]. De Staat is naar zijn mening dan ook aansprakelijk voor de gevolgen daarvan, te meer nu de Staat niet verplicht is om een opgelegde maatregel te executeren.
Grief IIIluidt tot slot dat de voorzieningenrechter ten onrechte de vier in het bewijsaanbod van [appellant] genoemde deskundigen niet heeft opgeroepen. Volgens [appellant] zou aan deze deskundigen kunnen worden gevraagd of in hun visie sprake was van een
“true mental disorder”als hierboven bedoeld en zou aan hen tevens de vraag kunnen worden voorgelegd of het feit dat in de rapportage van 21 juli 2011 is geconcludeerd dat het onderzoek geen onderbouwing toont voor de aanwezigheid van een ziekelijke stoornis en/of gebrekkige ontwikkeling zijner geestvermogens, betekent dat daarvan nooit sprake is geweest of dat een ziekelijke stoornis en/of gebrekkige ontwikkeling zonder behandeling kunnen/kan verdwijnen.