Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 26 april 2016
[appellant],
GEMEENTE ROTTERDAM,
Het geding
26 oktober 2015 plaatsvond, is proces-verbaal opgemaakt. Bij memorie van grieven heeft
Beoordeling van het hoger beroep
zes maanden, vanwege de aangetroffen handelshoeveelheid verdovende middelen (in de zin van artikel 2 en Pro 3 OW). Het daartegen door [appellant] gemaakte bezwaar is bij besluit van 13 februari 2014 ongegrond verklaard. Het tegen dat besluit ingestelde beroep is door de rechtbank Rotterdam, afdeling bestuursrecht, ongegrond verklaard. Tegen die uitspraak is geen hoger beroep ingesteld.
grieven 1 en 2betoogt [appellant] dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat is voldaan aan de voorwaarden van artikel 7:231 lid 2 BW Pro omdat weliswaar de woonwagen, maar niet het gehuurde is gesloten. Met
grief 3betoogt [appellant] dat de kantonrechter ten onrechte zijn verweer heeft verworpen dat het gebruik van de Gemeente van haar bevoegdheid tot buitengerechtelijke ontbinding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. De grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling.
Beslissing
opnieuw rechtdoende: