Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 21 april 2015
ERASMUS MEDISCH CENTRUM,
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
[E] heeft op 20 mei 1996 een buikoperatie ondergaan. Na de operatie bleek de bloedcirculatie van het rechterbeen van [E] onvoldoende te zijn, en is er necrose opgetreden. Als gevolg hiervan moest uiteindelijk de rechtervoet van [E] worden geamputeerd en heeft zij blijvende klachten aan haar rechterbeen overgehouden. Erasmus MC heeft hiervoor aansprakelijkheid erkend, en partijen hebben deze schade in onderling overleg geregeld.
Op 25 juni 1996 heeft een oogarts [E] gecontroleerd op de aanwezigheid van “retinopathy of the premature (ROP, netvliesloslating)”. Dit consult is mislukt. Een tweede controle heeft plaatsgevonden op 9 juli 1996. Op basis van zijn bevindingen bij deze tweede controle heeft de oogarts besloten tot een spoedbehandeling. Op 10 juli 1996 heeft een cryocoagulatie (bevriezing en vernietiging van het nog niet doorbloede en dus hypoxische deel van het netvlies) van de beide ogen van [E] plaatsgevonden. Dit heeft de voortgang van de ROP echter niet verhinderd. [E] is uiteindelijk blind geworden.
In deze procedure spreken [appellanten] Erasmus MC aan voor de schade als gevolg van de blindheid van [E]. [appellanten] stellen zich op het standpunt dat Erasmus MC heeft nagelaten [E] tijdig te controleren op ROP, en om haar tijdig te behandelen, waardoor de kans op het ontstaan van (een ernstige vorm van) ROP is toegenomen. Deze kans is volgens [appellanten] bovendien toegenomen doordat [E] als gevolg van de necrose aan haar rechterbeen – waarvoor Erasmus MC aansprakelijkheid heeft erkend – in een dermate slechte conditionele situatie was geraakt dat zij langdurig hoge concentraties zuurstof toegediend heeft gekregen, alsmede vaatverwijdende medicijnen en morfine.
De rechtbank heeft de vorderingen van [appellanten] uiteindelijk, na bewijslevering en deskundigenrapportages, afgewezen. De rechtbank heeft geoordeeld dat niet aannemelijk is geworden dat er een causaal verband aanwezig is tussen de necrose aan het rechterbeen van [E] en de ontwikkeling van ROP. Hoewel de rechtbank wel van oordeel is dat Erasmus MC toerekenbaar tekort is geschoten doordat de tweede controle door de oogarts pas op 9 juli 1996 – en daarmee later dan wenselijk – heeft plaatsgevonden, kan volgens de rechtbank niet geconcludeerd worden dat als gevolg van deze vertraging een zodanig reële kans op een beter behandelingsresultaat verloren is gegaan dat dit toewijzing van enig deel van het gevorderde zou kunnen rechtvaardigen. [appellanten] hebben hiervan hoger beroep ingesteld. Erasmus MC hebben voorwaardelijk incidenteel geappelleerd.
met zekerheidkunnen zeggen of de ROP ook ontstaan zou zijn als het been niet necrotisch zou zijn geworden, doet hier niet aan af. Dit zelfde geldt voor de passages dat aannemelijk is dat de necrose bij [E] heeft bijgedragen aan haar labiele conditie, en dat, hoewel morfine in de neonatologie vrijwel altijd na een operatieve ingreep wordt gebruikt ter bestrijding van pijn en onrust, het goed mogelijk is dat de pijn in het rechterbeen de belangrijkste indicatie is geweest voor het continueren of aanpassen van de dosis van morfine. De bewijslast van het causaal verband tussen de necrose aan het rechterbeentje van [E] en het ontstaan van een ernstige vorm van ROP bij haar rust op [appellanten] Het hof is met de rechtbank van oordeel dat dit causaal verband niet is komen vast te staan.
“Bestaat er een kans dat het behandelingsresultaat bij [E] beter zou zijn geweest indien zij enige dagen eerder dan op 10 juli 1996 zou zijn behandeld?”[appellanten] achten deze vraag niet juist, aangezien de rechtbank in haar tussenvonnis van 31 maart 2010 al had geoordeeld dat [E] de kans op een beter behandelingsresultaat is ontnomen, doordat de controle door de oogarts niet eerder dan op 9 juli 1996 heeft plaatsgevonden. Bovendien gaat de vraagstelling volgens [appellanten] ten onrechte uit van een behandeling
“enige dagen eerder dan op 10 juli 1996”, in plaats van uit te gaan van een tweede controle op korte termijn na de eerste (mislukte) controle op 25 juni 1996.