ECLI:NL:GHDHA:2015:869
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bewijsvermoeden bij koop van paard met chronische kreupelheid door peesontsteking
In deze zaak draait het om de koop van het paard Barney Hill, dat kort na aankoop kreupel bleek te zijn door een peesontsteking. De koper stelde dat het paard al bij aflevering een gebrek had en deed een beroep op het bewijsvermoeden van artikel 7:18 lid 2 BW Pro. De kantonrechter verwierp dit beroep omdat het om een levend dier gaat en het gebrek pas na aflevering werd vastgesteld.
Het hof overwoog uitgebreid de parlementaire geschiedenis en wetsgeschiedenis van artikel 7:18 lid 2 BW Pro, waarin is bevestigd dat levende dieren niet zijn uitgesloten van het bewijsvermoeden. Ook de aard van het gebrek, een chronische kreupelheid door een peesontsteking, staat toepassing van het bewijsvermoeden niet in de weg. Diverse deskundigenrapporten en video-opnamen tonen aan dat het paard al vóór aflevering kreupel liep.
Het hof concludeert dat het bewijsvermoeden van toepassing is en dat de afwijking zich binnen zes maanden na aflevering heeft geopenbaard. Westrade, de verkoper, wordt in de gelegenheid gesteld om nader tegenbewijs te leveren. De zaak wordt verwezen naar een nieuwe rolzitting voor het nemen van een akte door Westrade, waarna de koper kan reageren. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
Uitkomst: Het bewijsvermoeden van artikel 7:18 lid 2 BW geldt ook voor levende dieren zoals paarden; de zaak wordt verwezen voor nader tegenbewijs.