Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Arrest van 27 januari 2015
HET HOOGHEEMRAADSCHAP VAN RIJNLAND,
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
eerste griefvan de Staat is gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat de beslissing van de burgemeester van de Gemeente niet valt onder vergunningen en ontheffingen in de zin van artikel 9 van Pro de huurovereenkomst en artikel 7, eerste lid, van de Ahv. De Staat meent dat dat oordeel onjuist is. Hij wijst daarbij op de tekst van die bepalingen en stelt dat, in een uitleg overeenkomstig het Haviltex-criterium rekening houdend met alle omstandigheden van het geval, de benodigde vrijgave door de Gemeente wel degelijk onder genoemde bepalingen viel. De Staat brengt verder naar voren dat de kantonrechter is uitgegaan van onjuiste feiten en daaraan een doorslaggevende betekenis heeft gehecht. De
tweede griefvan de Staat keert zich tegen het oordeel van de kantonrechter dat onvoldoende is gebleken dat het Hoogheemraadschap de verantwoordelijkheid heeft aanvaard voor gebruiksbelemmerende omstandigheden, onder meer ten aanzien van bodem en explosieven. De Staat voert gemotiveerd aan dat het Hoogheemraadschap die expliciet onder ogen heeft gezien. De
derde griefvan de Staat valt het oordeel van de kantonrechter aan dat aan hem geen beroep toekomt op de exoneratie van artikel 4, zesde lid, van de Ahv, omdat de Staat ten tijde van het sluiten van de huurovereenkomst het risico van de mogelijke aanwezigheid van explosieven kende, althans had behoren te kennen. De Staat wijst erop dat niet de aanwezigheid van explosieven het gebruik door het Hoogheemraadschap heeft verhinderd, maar de (publiekrechtelijke) weigering van de Gemeente om het terrein vrij te geven. Verder brengt de Staat naar voren dat die weigering het gevolg is geweest van ontwikkelingen die zich na het sluiten van de huurovereenkomst hebben voorgedaan. De
vierde griefvan de Staat betreft het dictum in het vonnis van de kantonrechter; zij bouwt in de eerste plaats op de eerdere grieven voort. De Staat klaagt daarnaast over de door de Kantonrechter vastgestelde periode waarover huurprijsvermindering en gevolgschade dient te worden berekend. Hij brengt naar voren dat de periode gedurende welke de percelen niet zijn vrijgegeven, is begonnen op 26 november 2010.
eerste twee grievenvan het Hoogheemraadschap richten zich tegen het oordeel van de kantonrechter ter zake van de aansprakelijkheid van de Staat voor de schade ten gevolge van de geconstateerde bodemverontreiniging. Het Hoogheemraadschap brengt naar voren dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat de bodemverontreiniging na het sluiten van de huurovereenkomst is ontstaan en dat de Staat dat gebrek niet kende of behoorde te kennen. Het Hoogheemraadschap voert subsidiair aan dat het beroep van de Staat op het exoneratiebeding uit oogpunt van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, en meer subsidiair dat de Staat onrechtmatig nalatig is geweest door het Hoogheemraadschap niet te informeren over de omstandigheid dat de locatie van de startbanen verdacht was op het punt van bodemverontreiniging, en daarom aansprakelijk is voor de gevolgschade, bestaande uit de stagnatiekosten van de aannemer. Het Hoogheemraadschap is voorts van mening dat het alleen al op grond van de aanwezige bodemverontreiniging recht heeft op volledige huurprijsvermindering over de hele periode van 29 november 2010 tot 11 april 2011, alsmede op vergoeding van de hele stagnatieschade. De
derde griefvan het Hoogheemraadschap betreft de proceskostenveroordeling; zij bouwt op de eerdere grieven voort.
Beslissing
27 maart 2015om
9:30 uur;
binnen veertien dagen na heden, onder gelijktijdige opgave van de verhinderdata van beide partijen in de maanden april tot en met juni van 2015, opgeeft dan verhinderd te zijn, de raadsheer-commissaris (in beginsel eenmalig) een nadere datum en tijdstip voor de comparitie zal vaststellen;
uiterlijk twee weken vóór de comparitiein kopie aan de griffie handel en aan de wederpartij te zenden;