Uitspraak
,
Gerechtshof Den Haag
Klager diende een beklag in tegen het besluit van de officier van justitie om niet over te gaan tot vervolging van een officier van justitie die werd verdacht van het opzettelijk beïnvloeden van de vrijheid van een getuige, een opsporingsambtenaar, om naar waarheid te verklaren en van meineed.
De beklagkamer heeft het dossier en de verklaringen van betrokkenen, waaronder de officier van justitie zelf, onderzocht. Beklaagde gaf toe dat het samen lunchen en het bespreken van een conceptverklaring met de getuige achteraf ongelukkig was, maar ontkende elke intentie tot beïnvloeding of het in de mond leggen van woorden.
Het hof concludeerde dat er geen enkel redelijk vermoeden van schuld bestaat dat beklaagde de getuige heeft beïnvloed of zich schuldig heeft gemaakt aan meineed. Het besluit tot niet-vervolging blijft daarom gehandhaafd en het beklag wordt afgewezen.
Uitkomst: Het beklag tegen het niet-vervolgen van de officier van justitie wegens vermeende beïnvloeding van een getuige en meineed wordt afgewezen.