Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 24 november 2015
Wegenbouwbedrijf [X] B.V.,
de Gemeente Den Haag,
[Y] en Zn. B.V.,
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
“Voor 10,- een vierzijdige grondkering is wat mager en [X] heeft uit de inschrijving begrepen dat het een prijs per zijde is, daarom is het antwoord “nee”. (…) Aangezien de gemeente ervoor heeft gekozen om in plaats van standaard catalogusbeschrijvingen zelf bedachte teksten te gebruiken en gelet het feit dat schotten in alle soorten en maten te krijgen zijn, lijkt het logischer om af te rekenen op toegepaste zijden en daar is het prijsniveau ook naar.
“U vraagt ons eens te zijn op een vraag waarvan wij de omvang niet kennen. Immers u heeft geen vraag aan ons gericht om een deelopdracht voor u uit te voeren. Wij kunnen geen bevestiging geven op toekomstige deelopdrachten die thans onbekend zijn. U heeft gevraagd om een kosten begroting. Wij hebben een onderbouwing gegeven van deze kosten, daarmee schrijven wij in. Zoals u weet is de kostprijsonderbouwing een onderdeel van de overeenkomst. U vraagt om posten waarin wij een onderbouwing hebben gegeven en daar hebben wij aan voldaan. Op het moment dat er sprake is van een deelopdracht, is voor ons de inschrijfstaat de basis van verrekening van die betreffende inschrijfstaat. in die zin delen wij uw inzicht en beantwoorden wij met ja.”
grieven 1 tot en met 3zijn op verschillende gronden gericht tegen de overweging van de voorzieningenrechter dat [X] voor post 301110 niet besteksconform heeft ingeschreven. [X] stelt onder meer dat de voorzieningenrechter ten onrechte zijn uitleg van het bestek tot uitgangspunt neemt voor de vraag of al dan niet een onvoorwaardelijke en onherroepelijke aanbieding is gedaan. [X] stelt dat haar aanbieding onvoorwaardelijk is en dat zij gehouden is de in bestekspost 301110 opgenomen resultaatsverplichting uit te voeren voor de aangeboden prijs van € 10,-. Met
grief 4komt [X] op tegen de overweging van de voorzieningenrechter dat de overige punten die volgens de Gemeente tot een ongeldige inschrijving hebben geleid, geen verdere bespreking behoeven. De
grieven 5 en 6zijn gericht tegen de afwijzing van de vordering en de veroordeling in de proceskosten als zodanig.
“treffen van voorzieningen inkalven sleuf”. Bij die post is de tekst opgenomen
“Aan vier zijden van de put/sleuf”. Door een normaal oplettende en redelijk geïnformeerde inschrijver kan die tekst slechts op één manier worden uitgelegd, namelijk zo dat de gevraagde eenheid is het aan vier zijden van de put/sleuf aanbrengen van een voorziening tegen het inkalven van de sleuf. De inschrijver dient voor die post een prijs op te geven, ook als hij van oordeel is dat het niet steeds nodig in aan vier zijden een voorziening te treffen. Hoewel juist is dat, zoals [X] stelt, het vervolgens het risico van de inschrijver is of zij voor die prijs de betreffende post daadwerkelijk tot stand kan brengen, dient haar prijsopgave wel onvoorwaardelijk te zijn en aan te sluiten bij de betreffende bestekspost. Daarbij heeft weliswaar te gelden dat de inschrijfstaat doorslaggevend is voor de prijzen die een inschrijver uiteindelijk in rekening mag brengen, maar dit betekent niet dat de aanbestedende dienst geen acht mag slaan op, of vragen mag stellen over, de tot de inschrijvingsstukken behorende open begroting.
Beslissing
- bekrachtigt in het hoger beroep tussen [X] en de Gemeente het tussen partijen gewezen vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag van 12 februari 2015;
- wijst af het in hoger beroep gevorderde;
- veroordeelt [X] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van [Y] tot op heden begroot op nihil en aan de zijde van de Gemeente tot op heden begroot op € 711,- aan verschotten en € 2.682,- aan salaris advocaat en bepaalt dat hierover de wettelijke rente is verschuldigd vanaf de vijftiende dag na de datum van dit arrest.