Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Arrest d.d. 15 september 2015
[appellant],
[geïntimeerden],
advocaat: mr. M.G.G. de Bruin te Barendrecht.
Het geding
De beoordeling van het hoger beroep
heeft het bestaan van deze betalingsverplichting bestreden.
(1) zijn er door [geïntimeerden] gelden verstrekt aan [appellant] (of ten behoeve van [appellant] aan derden)?
En zo ja:
(2) geschiedde de verstrekking van die gelden ten titel van geldlening?
En zo ja:
(3) is de vordering tot terugbetaling van de uitgeleende gelden verjaard?
[geïntimeerde sub 1] ten behoeve van een derde (te weten [derde], in de stukken ook wel aangeduid met “[derde]”) heeft de rechtbank in essentie geoordeeld dat deze vordering is komen vast te staan nu [appellant] zich de facto heeft beperkt tot een blote ontkenning.
Met het voorgaande is komen vast te staan dat [geïntimeerden] in de periode van (omstreeks) 1987 tot 1997 aan [appellant], of ten behoeve van [appellant] aan derden, verschillende geldbedragen zoals hierboven omschreven tot een beloop van in totaal fl 120.095,00 hebben verstrekt, terwijl [appellant] aan [geïntimeerden] het bedrag van fl 8.000,00 heeft terugbetaald, zodat een totaalbedrag resteert van fl 112.095,00 wegens aan [appellant] verstrekte en niet terugbetaalde gelden.
(fl 112.095,00) blijkt uit de stellingen van [appellant] niet op welke rechtsgrond de betaling van deze gelden aan hem heeft plaatsgevonden, nu toch [appellant] zich overwegend beperkt tot het bloot ontkennen van hetgeen [geïntimeerden] ter adstructie van hun opstelling dienaangaande hebben aangevoerd. Waar [appellant] zich aldus bij herhaling beperkt tot de blote stelling dat geen sprake is van een overeenkomst van geldlening, laat hij steeds na aan te geven op welke titel de aan hem of ten behoeve van hem gedane betalingen dan wél hebben plaatsgevonden.
(1 ½ punt in tarief IV = € 2.446,50).