ECLI:NL:GHDHA:2015:2337
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs voor medeplegen cocaïnehandel
In hoger beroep heeft het Gerechtshof Den Haag het vonnis van de rechtbank vernietigd en de verdachte vrijgesproken van het opzettelijk aanwezig hebben en de verkoop van cocaïne. De verdachte was in eerste aanleg veroordeeld tot tien maanden gevangenisstraf, waarvan vier maanden voorwaardelijk. Het hof oordeelde dat de bewijsvoering onvoldoende was om medeplegen aan te nemen, mede gelet op de recente jurisprudentie van de Hoge Raad over de vereisten van nauwe en bewuste samenwerking.
De verdachte had verklaard dat medeverdachten vanuit haar woning cocaïne verkochten en dat zij soms geld aannam namens een medeverdachte. Hoewel er aanwijzingen waren dat er vanuit haar woning werd gedeald en dat zij contacten had met kopers, ontbrak het aan bewijs dat zij een wezenlijke bijdrage leverde aan het delict of financieel profiteerde. De verklaringen van medeverdachten ondersteunden dit oordeel niet.
Het hof overwoog dat medeplegen slechts kan worden aangenomen bij een nauwe en bewuste samenwerking met een bijdrage van voldoende gewicht. Omdat medeplichtigheid niet ten laste was gelegd en niet bewezen kon worden, sprak het hof de verdachte vrij. Tevens gelastte het hof de teruggave van diverse inbeslaggenomen geldbedragen en voorwerpen aan de verdachte.
Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs voor medeplegen cocaïnehandel.