Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 24 februari 2015
HOLLANDA TÜRKIYELI ISCILER BIRLIGI,
EURO-MEDITERRAAN CENTRUM MIGRATIE & ONTWIKKELING,
INFORMATIE EN ONDERWIJS VOOR TURKEN,
de Staat der Nederlanden (het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap),
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
“(…) Wij stellen ons als HTIB op het standpunt dat het recht van onderwijs van de moedertaal niet alleen een recht is dat gefundeerd is in het belang van het kind maar in het bijzonder in bescherming dient te worden genomen door de Nederlandse overheid. (…) Dit recht, dat de Nederlandse staat in 2004 niet langer tot haar verantwoordelijkheid heeft willen nemen, is een ernstige tekortkoming en een inbreuk op de plicht van de overheid om het belang van het kind voorop te stellen in haar overheidsdaden. Wij beschouwen de opstelling van de Nederlandse overheid als een inbreuk op dit fundamenteel recht van het kind op onderwijs van de moedertaal en stellen u hierbij in de gelegenheid om uw verantwoordelijkheid hierin weer te nemen.(…)”
“(…) Het recht op onderwijs is in vele internationale verdragen (…) verankerd en moet worden gerespecteerd. Deze verankering geldt echter niet voor het onderwijs in de eigen taal en cultuur. (…)”
Grief 1richt zich tegen rechtsoverweging 4.1 van het bestreden vonnis. In die overweging heeft de rechtbank de vordering aldus begrepen dat deze zich niet alleen richt op de afschaffing van de OALT-wet maar (ook) op de vraag of er internationaalrechtelijke verplichtingen op de Staat rusten tot het faciliteren van onderwijs van de allochtone moedertaal.
Grief 2heeft betrekking op de artikelen 3, 6, 28 en 29 van het Verdrag voor de Rechten van het Kind (IVRK). Hollanda c.s. stellen in de eerste plaats dat (al) deze artikelen, anders dan de rechtbank heeft overwogen, rechtstreekse werking hebben.
ontzeggen. De verplichting onderwijs van de moedertaal aan te bieden is in dat artikel niet te lezen. Het hof kan zonder nadere toelichting, die ontbreekt, ook niet de visie van Hollanda c.s. delen dat onderwijs van een niet-Nederlandse moedertaal een “evidente ondersteuning (vormt) voor het kind om zich te kunnen vereenzelvigen met de (Nederlandse) samenleving” en dat op die grond een verplichting voor de Staat bestaat om in dergelijk onderwijs te voorzien, nog daargelaten dat het aan de wetgever is om deze afweging te maken. Grief 2 faalt.
grief 4komen Hollanda c.s. op tegen de overwegingen van de rechtbank met betrekking tot de artikelen 13, 14 en 15 van het Internationaal Verdrag inzake Economische, Sociale en Culturele Rechten (IVESCR). Hollanda c.s. betogen dat uit dit verdrag het recht van kinderen voortvloeit op onderwijs dat aansluit op hun persoonlijkheid en dat er rekening dient te worden gehouden met de taal en cultuur die zij beheersen.
Grief 5is gericht tegen het oordeel van de rechtbank met betrekking tot artikel 26 van Pro de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens. Dit artikel omvat het recht op onderwijs. Hollanda c.s. citeren het tweede lid van artikel 26 en Pro verbinden daaraan de conclusie “dat onderwijs van de allochtone moedertaal belangrijk is en voor kinderen een toegevoegde waarde heeft”. Anders dan Hollanda c.s. kennelijk menen is, ook als die conclusie juist is, daarmee niet gezegd dat er jegens de Staat een aanspraak op dergelijk onderwijs uit artikel 26 van Pro de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens voortvloeit. De tekst van het artikel steunt die conclusie immers niet. Grief 5 faalt dus.
Grief 6richt zich tegen de overwegingen van de rechtbank met betrekking tot artikel 2 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM. In hun toelichting op deze grief geven Hollanda c.s. niet aan waarom het oordeel van de rechtbank, dat uit jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens volgt dat artikel 2 van Pro het Eerste Protocol geen recht op onderwijs van de moedertaal inhoudt, niet juist is. De enkele verwijzing naar artikel 2 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM (dat zij op pagina 24, naar het hof begrijpt abusievelijk, benoemen als artikel 3 EVRM Pro) volstaat niet. Datzelfde geldt voor de stelling van Hollanda c.s. dat het “onverantwoord” is van de Staat om geen gehoor te geven aan aanbevelingen die zijn gedaan door de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa. Waar het om gaat is of een verplichting om onderwijs van de moedertaal aan te bieden volgt uit de door Hollanda c.s. aangehaalde verdragsbepalingen. Nu Hollanda c.s. niet onderbouwen waarom dat het geval is, en die verplichting ook overigens niet uit de genoemde bepalingen is af te leiden, faalt ook grief 6.
Grief 7heeft betrekking op artikel 3 van Pro Richtlijn 77/486/EEG. Artikel 3 bepaalt Pro dat de Lidstaten, overeenkomstig hun nationale recht en praktijk, in samenwerking met de Staten van oorsprong, passende maatregelen nemen om te bevorderen dat, in coördinatie met het normale onderwijs, aan de in artikel 1 bedoelde Pro kinderen onderwijs in de moedertaal en de cultuur van het land van oorsprong wordt gegeven. Uit artikel 1 Richtlijn Pro volgt dat deze van toepassing is op kinderen die vallen onder de leerplicht als bepaald in de wet van de ontvangende Staat, die ten laste zijn van een werknemer die onderdaan is van een andere Lidstaat en die verblijven op het grondgebied van de Lidstaat waar deze onderdaan werkzaamheden in loondienst verricht of heeft verricht.
grief 11stellen Hollanda c.s. dat de rechtbank ten onrechte geen prejudiciële vragen heeft gesteld met betrekking tot de vraag of de Richtlijn op hen (naar het hof begrijpt: de groepen voor wier rechten zij opkomen) van toepassing is. Nu de Richtlijn daarover zelf duidelijk is, bestaat er voor het stellen van een prejudiciële vraag geen ruimte. Iets anders is of, wanneer de richtlijn niet van toepassing is op diegenen wier belangen Hollanda c.s. behartigen, en wel van toepassing is op anderen én de Staat vervolgens een voorziening treft waarop kinderen van EU-migranten wél en kinderen van Turkse migranten geen aanspraak kunnen maken, er sprake kan zijn van ongeoorloofde discriminatie. Ook die vraag kan evenwel, zoals hierboven is overwogen, worden beantwoord zonder het stellen van prejudiciële vragen. Grief 11 faalt dus ook.
Grief 8heeft betrekking op de overwegingen van de rechtbank ten aanzien van artikel 15 van Pro het Europees Verdrag inzake de rechtspositie van migrerende werknemers. In artikel 15 van Pro dit verdrag is bepaald dat de betrokken verdragsstaten gezamenlijk optreden teneinde voor zover mogelijk ten behoeve van de kinderen van de migrerende werknemers speciale cursussen op te zetten voor het onderricht in de moedertaal van de migrerende werknemer met het doel onder meer hun terugkeer in de Staat van oorsprong te vergemakkelijken. De rechtbank heeft in rechtsoverweging 4.23 overwogen dat artikel 15 van Pro dit Verdrag geen ieder bindende bepaling als bedoeld in artikel 93 Grondwet Pro bevat. Hollanda c.s. stellen niet (onderbouwd) dat deze conclusie van de rechtbank onjuist is. Ook het hof is van oordeel dat het bedoelde artikel 15 geen Pro ieder bindende bepaling bevat. De vordering van Hollanda c.s. kan dus op dit artikel niet worden gestoeld.
Grief 9is gericht tegen de overweging van de rechtbank met betrekking tot artikel 9 van Pro het Besluit nr. 1/80 van de Associatieraad als bedoeld in artikel 6 van Pro de Associatieovereenkomst EEG/Turkije. In dit artikel is opgenomen dat Turkse kinderen die legaal in een Lidstaat van de Gemeenschap wonen bij hun ouders die aldaar legaal tewerkgesteld zijn of zijn geweest, in die Lidstaat toegang hebben tot het algemeen onderwijs, tot een opleiding in het kader van een leerlingstelsel en een beroepsopleiding, op basis van dezelfde toelatingseisen ter zake van genoten onderwijs en opleiding als kinderen van onderdanen van die Lidstaat. Het hof is, met de rechtbank, van oordeel dat uit dit artikel niet een recht op onderwijs van de moedertaal kan worden afgeleid. De opmerkingen die Hollanda c.s. maken over het beginsel van non-discriminatie maken dit niet anders aangezien zij niet onderbouwd stellen dat (andere dan Turkse) kinderen wel onderwijs van de niet-Nederlandse moedertaal krijgen.
Grief 10heeft geen zelfstandige betekenis en faalt dus.
Grief 11is, voor zover deze betrekking heeft op Richtlijn 77/486 EEG, hierboven reeds besproken. Hollanda c.s. onderbouwen in de toelichting op grief 11 niet waarom de rechtbank en, naar het hof begrijpt, thans het hof, prejudiciële vragen had moeten stellen of moet stellen over de overige in deze grief genoemde bepalingen, terwijl het hof daar ook geen aanleiding voor ziet.
Beslissing
- bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Den Haag van 13 november 2013;
- veroordeelt Hollanda c.s. in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van de Staat tot op heden begroot op € 704,- aan verschotten en € 894,- aan salaris advocaat en bepaalt dat over deze bedragen de wettelijke rente is verschuldigd vanaf de veertiende dag na het wijzen van dit arrest tot aan de algehele voldoening;
- verklaart dit arrest ten aanzien van de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.