Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 21 juli 2015
Havenbedrijf Rotterdam N.V.,
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
“(…) Naar aanleiding hiervan wil ik u thans in de gelegenheid stellen indien u dit wenst, in plaats van de vijfjaarlijkse herziening te kiezen uit twee andere mogelijkheden.
De huurprijs wordt voortaan jaarlijks herzien en wel als volgt: Per 1 oktober 1987 wordt deze verhoogd (…). Op 1 oktober 2012 kan de huurder zowel als de Gemeente een algehele herziening van de huurprijs verlangen, waarna wederom de jaarlijkse indexering als hiervoor omschreven, wordt voortgezet.
Betaling ineens van de huurprijs over een periode van maximaal 50 jaar dus tot 1 oktober 2037.
“(…) Ook dezerzijds is onderkend dat aan het systeem van vijfjaarlijkse huurprijsherziening met name psychologische nadelen kleven. Vandaar dat tegenwoordig aan huurders ook de mogelijkheid geboden wordt te kiezen voor een jaarlijkse aanpassing van de huurprijs op basis van het prijsindexcijfer voor de gezinsconsumptie (zie mijn brief van 13 april 1987). (…) ,indien u zou kiezen voor een jaarlijkse aanpassing van de huurprijs, op 1 oktober 1987 gestart worden op een niveau van f. 3,40 per m² per jaar (…) Op 1 oktober 2012 kan u zowel als de Gemeente een algehele herziening van de huurprijs verlangen, waarna wederom de jaarlijkse indexering als hiervoor omschreven wordt voortgezet.”
“(…) De door u genoemde mogelijkheid om in plaats van een vaststelling huurprijs eens per 5 jaar over te gaan tot een systeem van jaarlijkse aanpassing geeft eveneens geen oplossing voor het verschil tussen de door u en door ons berekende stijgingspercentages. Daar het systeem van jaarlijkse aanpassingen, op zich zelf genomen, wel interessante mogelijkheden biedt, zullen wij wellicht in een later stadium alsnog op deze mogelijkheid terugkomen.”
“deze aangelegenheid”.
“voorliggend voorstel tot huurprijsherziening”werd gehandhaafd. In reactie op die brief berichtte MOT het Havenbedrijf bij brief van 6 juni 1989 onder meer als volgt:
“(…) Ondanks deze bezwaren willen wij trachten nu op korte termijn tot een oplossing van deze reeds langer lopende kwestie te komen. Op grond hiervan delen wij u mede dat wij besloten hebben gebruik te maken van de mogelijkheid tot jaarlijkse aanpassing van de huurprijs. Als gevolg hiervan gaan wij akkoord met een per 1 oktober 1987:
te berekenen huurprijs van f 3,40 per m2 voor het terrein, en
een in nader overleg vast te stellen huurprijs talud en water. Volgens uw schrijven d.d. 13 april 1987 zou deze f 0,96 per m2 bedragen.”
“Ik dank u voor de toezending van uw bovengenoemde brief, waarmede de kwestie van de huurprijsherziening van het terrein tot een oplossing is gebracht.”Bij brief van 13 juni 1989 heeft MOT de in rekening te brengen huurprijzen bevestigd.
“(…) In de huurakte van 9 mei 1989 is een vijfjaarlijkse huurprijsaanpassing overeengekomen, echter kort daarna hebben partijen afgesproken in het vervolg over te gaan op een jaarlijkse prijsaanpassing op basis van de CBS-indexcijfers (…). Ik verwijs hierbij naar uw brieven van 6 juni en 13 juni 1989.”
Grief 1houdt in dat de kantonrechter een aantal feiten onjuist, althans onvolledig als vaststaand heeft geformuleerd.
Grief 2komt op verschillende manieren op tegen rechtsoverweging 4.1 van het vonnis, waarin de kantonrechter heeft overwogen dat partijen de mogelijkheid van een huurprijsherziening per 1 oktober 2012 zijn overeengekomen. Met
grief 3komt MOT op tegen rechtsoverweging 4.2, waarin de kantonrechter overwoog dat uit de brief van 21 juli 1987 niet kan worden afgeleid dat de huurprijsherziening van de baan was.
Grief 4is gericht tegen de overweging van de kantonrechter dat het onwaarschijnlijk is dat het Havenbedrijf afstand zou hebben gedaan van een correctiemogelijkheid bij een zo langlopend contract. Met
grief 5komt MOT op tegen de overweging van de kantonrechter dat vele andere partijen in de Rotterdamse haven de systematiek van jaarlijkse indexering en algehele herziening na 25 jaar wél accepteren, terwijl
grief 6is gericht tegen de overweging met betrekking tot een getuigenverklaring in een parallelle procedure.
Grief 7richt zich tegen de veroordeling als zodanig.
Beslissing
- bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Rotterdam, sector kanton, van 25 april 2014;
- veroordeelt MOT in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van het Havenbedrijf tot op heden begroot op € 704,- aan verschotten en € 2.682,- aan salaris advocaat;
- verklaart dit arrest ten aanzien van de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.