Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest d.d. 14 juli 2015
Scheepvaartbedrijf [naam 1] B.V.,
Ship Spares Logistics B.V.,
Het verdere verloop van het geding
De beoordeling van het hoger beroep
grieven 1, 2 en 3 in het incidenteel appelertoe strekken dat de ‘CRANE BARGE’ niet aansprakelijk is voor het ongeval falen deze dus.
Grief 1het in principaal appel vecht het oordeel van de rechtbank aan dat de ‘[naam schip 1]’ met een beduidend hogere snelheid onderweg was dan de ‘[naam schip 2]’. [appellante] betoogt dat het verschil relatief gering was, nu beide schepen vlak voor de aanvaring met een snelheid van rond de 7 knopen voeren.
grief 3in het principaal appel voert [appellante] nog aan dat de ‘[naam schip 1]’ op grond van artikel 6.03 lid 5 BPR zijn koers en snelheid diende te behouden. Daarmee kan zij naar het oordeel van het hof niet rechtvaardigen dat de snelheid van de ‘[naam schip 1]’ tot een halve minuut voor de aanvaring te hoog was.
Grief 3in het principaal appel is verder gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de ‘[naam schip 1]’ valt te verwijten dat hij het marifoonverkeer niet goed heeft uitgeluisterd. [appellante] betwist niet de juistheid van dit feit, maar de daaraan volgens haar door de rechtbank verbonden conclusie dat hieruit een passeerafspraak kan worden afgeleid.
Grief 2in het principaal appel betreft de tussen partijen omstreden kwestie of de ramen van de stuurhut van de ‘[naam schip 2]’ zwaar beslagen waren en de schipper vlak voor de aanvaring bezig was om de voorruit schoon te maken, zoals [appellante] stelt, maar SSL betwist. Vast staat dat de schipper ten tijde van de aanvaring alleen was in de stuurhut. SSL heeft, op dit punt onweersproken, bij pleidooi in hoger beroep gemotiveerd aangevoerd – de schipper vreesde dat hij bij de aanvaring overboord was geslagen – dat de matroos op dat moment voor op het dek was. Om 21.56.38 uur, dat is minder dan dertig seconden voor de aanvaring, heeft, naar op grond van het voorgaande moet worden aangenomen, de schipper via de marifoon gemeld aan de ‘[naam schip 1]’ dat hij naar de 1e Eemhaven ging. Hieruit kan worden afgeleid dat de schipper net voor de aanvaring in de stuurhut was en dat hij op dat moment de ‘[naam schip 1]’ zag. Gelet op deze vaststaande feiten heeft [appellante] onvoldoende gesteld welke invloed het door hem gestelde feit op de aanvaring heeft gehad, zodat het hof aan haar stelling voorbij gaat. Het bewijsaanbod is daarmee niet relevant voor de uitkomst van de procedure. Aangenomen moet worden dat (alleen) het voorlangs varen door de ‘[naam schip 2]’ de oorzaak van de aanvaring is geweest. Grief 2 is dan ook vergeefs voorgesteld.
grief 4in het incidenteel appel strekken ertoe de schuldverhouding anders te doen vaststellen. De grieven falen. Het hof is hiervoor, evenals de rechtbank tot het oordeel gekomen dat de ‘[naam schip 2]’ in strijd heeft gehandeld met artikel 6.16 lid 1 BPR en daardoor de aanvaring heeft veroorzaakt, maar dat ook het niet uitluisteren van het marifoonverkeer en het snelle varen van de ‘[naam schip 1]’ aan de aanvaring hebben bijgedragen. Het hof ziet een en ander afwegend geen reden om de schuld anders te verdelen dan de rechtbank heeft gedaan.