Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 30 juni 2015
de vennootschap onder firmaGARAGEBEDRIJF [naam],
B.V. HOUDSTERMAATSCHAPPIJ GEBR. [Broer1] EN [Broer2],
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
(3.1) Tussen partijen is in 1999 een huurovereenkomst gesloten waarbij door [Houdstermaatschappij] aan [appellante] een bedrijfspand (opslagruimte/werkplaats) is verhuurd tegen een toenmalige huurprijs van NLG 39.000,-- per jaar plus een vergoeding van energiekosten, vermeerderd met omzetbelasting. Tevens is toen overeengekomen dat de huurprijs vanaf 2000 jaarlijks wordt geïndexeerd. Omgerekend naar EUROS komt
NLG 39.000,-- uit op een jaarhuur van € 17.697,43 (exclusief BTW) en een maandhuur van omstreeks € 1.474,79 (exclusief BTW) en € 1.754,99 (inclusief BTW).
(3.2) In het dossier bevindt zich een ongetekende huurovereenkomst uit 2002, waarbij werd uitgegaan van een huurprijs, exclusief omzetbelasting, van € 22.689,-- per jaar (en een bedrag van € 1.890,75 per maand). Inclusief BTW gaat het daarbij om een huur van, afgerond, € 2.250,25 per maand. Ook in dit huurcontract was een indexatieafspraak vermeld.
(3.3) Ter gelegenheid van de comparitie van partijen van 8 oktober 2014 heeft [appellante] als productie 9 (kwartaal)facturen van [Houdstermaatschappij] in het geding gebracht over de periode 2002 tot en met 2011, waarin telkens dezelfde (kale) kwartaalhuur van
€ 5.672,25 in rekening is gebracht. Omgerekend levert dit per maand een huurprijs op van, afgerond, € 1.890,75 (exclusief BTW) en van € 2.250,25 (inclusief BTW).
(3.4) [appellante] heeft tot 1 januari 2013 aan maandelijkse huur betaald een bedrag van € 1.754,99.
(3.5) [Houdstermaatschappij], bij inleidende dagvaarding vermeld als [Houdstermaatschappij] B.V., heeft in deze procedure, voor zover thans nog van belang, als verhuurster aanspraak gemaakt op het verschil tussen de werkelijk betaalde huur en de huur na indexatie op basis van de overeenkomst van 1999. [Houdstermaatschappij] heeft dit verschil over de periode 2008-2012 berekend op een bedrag van € 23.280,02.
(3.6) De kantonrechter heeft als volgt geoordeeld, zakelijk weergegeven:
(i) Het verweer van [appellante] dat [Houdstermaatschappij] niet-ontvankelijk is in haar vordering, aangezien ‘[Houdstermaatschappij] B.V.’ (een niet bestaande vennootschap) als eisende partij is opgetreden, wordt verworpen.
(ii) Het beroep van [appellante] op verjaring slaagt voor zover de vordering betrekking heeft op huurindexatie over de maanden gelegen vóór januari 2008.
(iii) [Houdstermaatschappij] maakt met recht aanspraak op indexatie over de huurmaanden 2008 tot en met december 2012.
(iv) [Houdstermaatschappij] heeft gespecificeerd toegelicht dat de sinds 2008 niet betaalde indexatie een bedrag van € 23.280,02 betreft. [appellante] heeft de berekening op zich als juist erkend. Dit bedrag zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente.
(v) Het beroep van [appellante] dat het achteraf vorderen van indexatie naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is (artikel 6: 248 BW) wordt verworpen, evenals het beroep op rechtsverwerking.
(vi) Het bedrag van € 23.280,02, met wettelijke rente zal worden toegewezen.
(vii) De voorwaardelijke reconventionele vorderingen van [appellante] zullen worden afgewezen.
Beoordeling van grief I
De conclusie is dan ook dat het gebrek dusdanig gering is, dat [appellante] hierdoor niet onredelijk in haar belangen is geschaad. Op grond van het bepaalde in artikel 122, eerste lid Rv wordt het verweer van [appellante] verworpen. Grief I faalt.
Beoordeling van de grieven II en III
heeft geaccepteerd dat [appellante] in de periode 2002 tot en met 2012 conform de huurovereenkomst uit 1999 maandelijks een huurbedrag van € 1.474,88, exclusief BTW, heeft voldaan. [appellante] mocht er dus op vertrouwen dat zij de juiste huur betaalde en hoefde geen rekening te houden met huurindexatie. Van enkel stilzitten door [Houdstermaatschappij] is dan ook geen sprake.
Ook aan de wijze van factureren, die bij narekenen inderdaad correspondeert met de aanvangshuur uit de (niet getekende) overeenkomst uit 2002, heeft [appellante] dit vertrouwen niet mogen ontlenen. [appellante] heeft immers stelselmatig een lager bedrag betaald dan werd gefactureerd, zodat zij op deze grond er niet op mocht vertrouwen dat zij aan haar verplichtingen had voldaan. Blijft over de stelling van [appellante] dat zij dit vertrouwen heeft mogen ontlenen aan de omstandigheid (i) dat van de zijde van [Houdstermaatschappij] niet eerder dan december 2012 werd opgetreden tegen het slechts gedeeltelijk betalen van de facturen, althans (ii) dat de huurindexatie (op basis van de overeenkomst uit 1999) pas in 2012 in rekening werd gebracht. Deze stelling wordt eveneens verworpen, nu dit onvoldoende is om de conclusie te rechtvaardigen dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is om alsnog nakoming van de indexeringsafspraak te verlangen. De door de kantonrechter met juistheid toegepaste verjaringsregeling biedt in dit verband toereikende bescherming. Het betoog van [appellante] ten aanzien van [Broer2], met wie zij altijd contact had, en zijn gestelde onbevoegdheid, zijn niet relevant voor deze beoordeling. Het hof verwijst daartoe mede naar hetgeen zij hierover in rechtsoverweging 5 heeft opgemerkt. Uit het voorgaande vloeit tevens voort dat er geen sprake is van rechtsverwerking.
Beoordeling van de grieven IV en V
Beoordeling van de grieven VI en VII
a) teruggave van de (volgens [appellante] blijkens haar grieven IV en V) onjuist berekende en betaalde indexatie sinds 2013;
b) verstrekking van de huurfacturen vanaf 2013.
Slotsom
Beslissing
- bekrachtigt de bestreden vonnissen;
- veroordeelt [appellante] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van [Houdstermaatschappij] tot op heden begroot op € 1.920,-- aan verschotten en € 2.316,-- aan salaris advocaat;
- verklaart dit arrest ten aanzien van de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
- wijst af het in hoger beroep door [appellante] meer of anders gevorderde.
J.J. van der Helm, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 juni 2015 in aanwezigheid van de griffier.