ECLI:NL:GHDHA:2015:1679
Gerechtshof Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing spoedvoorziening invrijheidstelling en thuisplaatsing minderjarigen
Appellanten, ouders van minderjarige kinderen, vorderden in hoger beroep spoedvoorzieningen op grond van artikel 223 Rv Pro, waaronder hun invrijheidstelling, thuisplaatsing van de kinderen en benoeming van een gedragsdeskundige. Zij stelden dat er sprake was van ernstige schendingen van het EVRM, IVRK en het Handvest van de grondrechten van de EU.
De Staat voerde gemotiveerd verweer en stelde dat het spoedeisend belang ontbrak, mede omdat appellanten inmiddels op 13 maart 2015 in vrijheid waren gesteld en de kinderen weer thuis verbleven. Het hof oordeelde dat het verzoek tot invrijheidstelling achterhaald was en dat het schorsen of opheffen van voorlopige hechtenis aan de strafrechter is voorbehouden.
Ook het verzoek tot thuisplaatsing van de minderjarigen werd afgewezen wegens het ontbreken van spoedeisend belang, nu de kinderen reeds bij de ouders waren. Het verzoek tot benoeming van een gedragsdeskundige werd eveneens afgewezen omdat appellanten het spoedeisend belang daarvan onvoldoende hadden onderbouwd.
Het hof wees de vorderingen af en verwees de zaak naar de rol van 30 juni 2015 voor verdere behandeling, waarbij iedere verdere beslissing werd aangehouden.
Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot spoedvoorzieningen af wegens ontbreken van spoedeisend belang.