Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Arrest d.d. 23 juni 2015
[appellant],
Heineken Nederland B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
HNB, respectievelijk
HNen
Albron,
Het geding
De beoordeling van het hoger beroep
In het principale en voorwaardelijk incidentele appel:
grief 1voert [appellant] aan dat de rechtbank ten onrechte als vaststaand feit heeft aangemerkt dat tussen enerzijds HN en HNB en anderzijds Albron is afgesproken dat bij een veroordeling van Albron tot betaling van arbeidsvoorwaarden in het kader van de overgang van de onderneming, HN en HNB deze veroordeling voor hun rekening zullen nemen. [appellant] baseert de grief hierop dat een overeenkomst waarin het voorgaande is vastgesteld, bij de stukken ontbreekt.
Vervolgens heeft [appellant] in genoemde paragraaf 100 primair geconcludeerd dat geïntimeerden niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vorderingen, en subsidiair dat de vorderingen van geïntimeerden onder XXII, XXIII en XXIV worden afgewezen, een en ander “onder instandhouding van de overige ten behoeve van geïntimeerden gegeven verklaringen voor recht”.
- grief (a) annex wijziging van eis: de berekening van de vakantietoeslag,
- grief (b) annex wijziging van eis: de berekening van het uurloon,
- grief (c) annex wijziging van eis: de wettelijke verhoging, en
- grief (d) annex wijziging van eis: de pensioenschade.
grief (a)overweegt het hof als volgt. Kernpunt van het geschil met betrekking tot de berekening van de vakantietoeslag is de – door [appellant] onder verwijzing naar art. 34 van Pro de cao Heineken 2004 bevestigend beantwoorde – vraag of deze toeslag dient te worden berekend over alle toeslagen inclusief de “persoonlijke toeslag” (voorheen inconveniëntentoeslag geheten) doch met uitzondering van de tantième.
Grief (b)heeft betrekking op de waarde van het uurloon dat [appellant] bij HN en HNB zou hebben verdiend. Nu de rechtbank dienaangaande geen declaratoire uitspraak heeft gedaan, vordert [appellant] daaromtrent alsnog een verklaring voor recht.
Grief (c)strekt ten betoge dat het hof alsnog voor recht dient te verklaren dat de door Albron op basis van art. 7:625 BW Pro verschuldigde wettelijke verhoging per 1 april 2013 een beloop heeft van € 81.175,00, subsidiair € 12.675,00, althans een door het hof in goede justitie te betalen bedrag.
Grief (d)heeft de verkrijging van een declaratoir tot onderwerp met betrekking tot de pensioenschade die [appellant] stelt te hebben geleden als gevolg van de overgang van de onderneming op Albron.
grief 2onder meer ter sprake brengt dat de rechtbank in prima in conventie er ten onrechte van is uitgegaan dat er tussen [appellant] enerzijds en Albron c.s. anderzijds een geschil bestond met betrekking tot een (groot) deel van de vanaf 1 maart 2005 voor [appellant] geldende arbeidsvoorwaarden, reden waarom Albron c.s. in zoverre wegens het ontbreken van belang niet-ontvankelijk hadden behoren te worden verklaard, verwijst het hof naar hetgeen het naar aanleiding van grief 1 op het punt van de ontvankelijkheid reeds heeft overwogen.
Grief 3heeft betrekking op de kosten van reiniging van de dienstkleding van [appellant], welke kosten door de rechtbank tot een bedrag van € 500,00 (netto) als redelijk en toewijsbaar zijn beoordeeld. In dat verband klaagt [appellant] erover dat de rechtbank zijns inziens over het hoofd heeft gezien dat – naast de kosten van het wassen ad € 1,00 per wasbeurt – ook rekening gehouden moet worden met de kosten van het drogen ad
€ 1,20 per wasbeurt.
grief 4wenst [appellant] in essentie ingang te doen vinden dat de door hem aan Albron verkochte vakantie uren en ADV-uren alsnog dienen te worden afgerekend over de waarde van het hogere Heineken-uurloon. De rechtbank heeft deze vordering afgewezen wegens een onvoldoende concrete specificatie.
Grief 5heeft betrekking op de afwijzing door de rechtbank van hetgeen [appellant] heeft gevorderd inzake overwerk op feestdagen c.a. Nu Albron c.s. de vordering van [appellant] in hoger beroep te dezer zake erkennen, komt aan [appellant] (alsnog) een bedrag toe ter grootte van € 4.278,38 (bruto). In zoverre treft de grief doel. Met betrekking tot de wettelijke verhoging verwijst het hof opnieuw naar hetgeen dienaangaande reeds eerder is overwogen.
De grieven 6 t/m 8hebben alle betrekking op de eerder reeds genoemde materiële compensatie ad € 137.000,00 die op 17 mei 2005 door HNB op grond van de Uitbestedingsparagraaf in de sociale begeleidingsregeling (SBR) aan [appellant] is uitgekeerd. Kort weergegeven komt het standpunt van [appellant] in
grief 8hierop neer dat zowel de in art. 7:663 BW Pro vervatte wettelijke regeling ter zake van de overgang van een onderneming, als de SBR en met name de daarvan onderdeel uitmakende uitbestedingsparagraaf, (gelijktijdig) van toepassing zijn op de rechtspositie waarin [appellant] thans verkeert, zodat hij reeds daarom niet gehouden is tot terugbetaling (of verrekening) van genoemde materiële compensatie op de grond dat thans vast staat dat zijn arbeidsrechtelijke rechtspositie (mede) wordt beheerst door art. 7:663 BW Pro.
Grief 6heeft vervolgens betrekking op de vragen op welke rechtsgrond bedoelde terugbetalingsplicht van [appellant] berust, en of de met die plicht corresponderende rechtsvordering inmiddels is verjaard. De rechtbank heeft dienaangaande gesproken van een (onbenoemde) plicht tot terugbetaling, en geoordeeld dat de verjaringstermijn ten aanzien van deze plicht eerst een aanvang heeft genomen na het door de Hoge Raad gewezen arrest d.d. 5 april 2013, zodat van verjaring geen sprake is.
grief 7waarin de relatie tussen verjaring en verrekening aan de orde wordt gesteld, geen nadere bespreking behoeft.
Grief 9heeft betrekking op onderdeel XXII van het dictum in conventie. Kort weergegeven en bezien in het licht van het voorgaande, komt de grief zoals deze kennelijk moet worden begrepen, erop neer dat, waar HNB de betaling van de materiële compensatie aan [appellant] als voortvloeiend uit haar plicht op basis van de uitbestedingsparagraaf heeft verricht, zij daarmee niet heeft gehandeld ter kwijting van een schuld van Albron aan [appellant], zodat van een onverschuldigde betaling door Albron aan [appellant] en de ongedaanmaking daarvan door [appellant] aan Albron thans geen sprake kan zijn.
grief 10stelt [appellant] (een deel van) onderdeel 1 van het dictum in reconventie aan de orde. Aanvoerende dat de rechtbank daarmee is getreden buiten hetgeen hij ([appellant]) heeft gevorderd, heeft hij niettemin gesteld zich te kunnen vinden in het door de rechtbank berekende bedrag van € 162.350 (bruto) waarop [appellant] – naast enkele andere posten die thans niet aan de orde zijn – nog aanspraak heeft jegens Albron met betrekking tot de periode van 1 maart 2005 tot 1 april 2013. Zoals de grief redelijkerwijs moet worden begrepen, is het bezwaar van [appellant] beperkt tot de beslissing dat de materiële compensatie ad € 137.000,00 en de overige door Albron c.s. reeds betaalde bedragen in mindering strekken op bovenvermeld bedrag.
Grief 11betreft de veroordeling van [appellant] in de kosten van het door HN en HNB onder Albron gelegde conservatoire derdenbeslag ten laste van [appellant]. In dat verband stelt [appellant] zich op het standpunt dat de terugvordering van de materiële compensatie door de rechtbank niet is toegewezen, zodat HN en HNB de kosten van het beslag dienen te dragen,
grief 12stelt [appellant] de kostenveroordeling aan de orde. Nu partijen in prima over en weer deels in het (on)gelijk zijn gesteld, is het hof met de rechtbank van oordeel dat een kostencompensatie zoals in de eerste aanleg is gegeven, op zijn plaats is.
slotsomluidt dat – behoudens een drietal onderwerpen zoals hierboven genoemd –het beroepen vonnis in al zijn onderdelen dient te worden bekrachtigd. Als de overwegend in het ongelijk te stellen partij zal [appellant] daarom worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep (1 punt in tarief V), uitvoerbaar bij voorraad.
Beslissing
€ 14.104,72 bruto inzake de verkoop van ADV- en vakantie-uren;