ECLI:NL:GHDHA:2015:1421
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Ontbinding huurovereenkomst bedrijfsruimte wegens huurachterstand en investeringsvergoeding
In deze zaak stond de ontbinding van een huurovereenkomst voor een kantoorruimte centraal. De huurder had een langdurige huurachterstand, waarop de verhuurder de overeenkomst ontbond en ontruiming vorderde. De huurder betwistte de ontbinding en stelde dat deze onaanvaardbaar was op grond van redelijkheid en billijkheid.
Het hof overwoog dat een huurachterstand van ruim een jaar in beginsel rechtvaardigt tot ontbinding, en dat de huurachterstand ook zonder de achterstand uit 2011 voldoende ernstig was. De huurder had investeringen in het gehuurde gedaan ter waarde van € 90.000,-, maar op grond van de huurovereenkomst en vaste rechtspraak was geen recht op vergoeding van deze kosten, ook omdat geen sprake was van een aantoonbare verrijking van de verhuurder.
Verder wees het hof de stellingen van de huurder af dat de verhuurder onredelijk had gehandeld door onderhuurders te weigeren of een toezegging niet na te komen. De verhuurder had voorwaarden gesteld voor voortzetting van de huurovereenkomst, die de huurder niet had voldaan. De klacht over het ontbreken van een "terme de grace" faalde omdat dit artikel niet van toepassing is op bedrijfsruimte.
Het hof bekrachtigde het vonnis van de rechtbank en veroordeelde de huurder in de kosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de ontbinding van de huurovereenkomst wegens huurachterstand en wijst de vergoeding van investeringen af.