Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Arrest d.d. 2 juni 2015
[appellant],
[geïntimeerde],
advocaat: mr. J. Verbeeke.
Het geding
De beoordeling van het hoger beroep
In zowel het principale als het incidentele appel:
Zoals uit de bespreking van het principale appel nog zal blijken, is te dezen niet doorslaggevend of [appellant] al dan niet in het jaar 1980 tussen de beide percelen een muur heeft gebouwd.
Voorts berust de vermelding door de rechtbank dat [geïntimeerde] in 2013 een schuur heeft gebouwd op de scheiding, op een kennelijke verschrijving nu tussen partijen in confesso is dat [appellant] die schuur heeft gebouwd, welke verschrijving zich leent voor een ambtshalve verbetering. Het hof leest het beroepen vonnis dan ook in laatstbedoelde zin.
De vraag of de schotten die [geïntimeerde] in 2013 op de grond van [appellant] heeft geplaatst al dan niet de toegang blokkeerden tot het perceel van [appellant], zal bij de bespreking van het incidentele appel nog aan de orde worden gesteld.
2.1. Elk van partijen is eigenaar van een aan elkaar grenzend erf. [appellant] stelt zich op het standpunt dat hij door verkrijgende verjaring eigenaar is geworden van een smalle strook grond die zich op of nabij de grens tussen beide percelen bevindt, en heeft dienaangaande een verklaring van recht gevorderd. De rechtbank heeft deze vordering van de hand gewezen, en daartegen heeft [appellant] zijn grieven in het principaal hoger beroep gericht.
2.2. Bij vermeerdering van eis in prima, heeft [appellant] voorts op straffe van verbeurte van dwangsommen de verwijdering door [geïntimeerde] gevorderd van houten schotten die laatstgenoemde heeft aangebracht (mede) op het perceel van [appellant]. Deze vordering heeft de rechtbank toegewezen, en daartegen heeft [geïntimeerde] incidenteel geappelleerd (zie grief 1 (onderdeel c) en grief 4 in het incidentele appel). Tevens vordert [geïntimeerde] de terugbetaling door [appellant] van de door hem ([geïntimeerde]) inmiddels verbeurde dwangsommen met kosten en rente (zie in dit verband ook grief 3 in het incidentele appel).
2.3. Daarnaast klaagt [geïntimeerde] er in het incidentele appel over dat de rechtbank ten onrechte voorbij is gegaan aan de vorderingen die hij ([geïntimeerde]) in prima in reconventie heeft ingesteld (waarop de grieven 2 en 3 in het incidentele appel betrekking hebben), en verlangt hij alsnog toewijzing van deze vorderingen zoals deze na wijziging van eis in hoger beroep luiden (m.n. de verwijdering van een schuur die [appellant] naar stelling van [geïntimeerde] over de erfgrens heeft gebouwd alsmede betaling van € 6.870,00 ten titel van schadevergoeding).
Verder in het principale appel:
De grieven in het principale appel, die alle blijk geven van een aan het vorenoverwogene tegengestelde opvatting, missen derhalve doel.
De grieven 1 (onderdeel c) en 4 in het incidentele appel hebben betrekking op het oordeel van de rechtbank dat vast staat dat [geïntimeerde] in 2013 op de grond van [appellant] houten schotten heeft geplaatst die de toegang tot het erf en de schuur van [appellant] blokkeren (zie het beroepen vonnis, r.o. 2.3), hetgeen een inbreuk oplevert op het eigendomsrecht van [appellant], op welke grond de rechtbank [geïntimeerde] heeft veroordeeld tot verwijdering van die schotten, zulks op straffe van verbeurte van dwangsommen (vonnis r.o. 4.2.1).
De stelling van [geïntimeerde] dat hij ten onrechte is veroordeeld tot het verwijderen van de schotten omdat die reeds door hem waren verwijderd (zie paragraaf 101 van de memorie van antwoord in het principaal appel annex memorie van grieven in het incidenteel appel), verdient geen bijval reeds omdat de veroordeling niet alleen gericht was op het verwijderen, maar ook op het verwijderd houden van de schotten.
Beslissing