Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 26 mei 2015
[appellant] ,
STICHTING WOONVISIE,
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
De feiten
De klachtencommissie heeft verder onder meer overwogen dat van [appellant] enige tolerantie mag worden verwacht ten aanzien van normale woongeluiden van de buren (in de gehorige woningen), alsmede dat van [appellant] verwacht mag worden dat hij mee zou werken aan buurtbemiddeling zonder vooraf daaraan eisen te stellen. De klachtencommissie is er naar haar zeggen niet van overtuigd dat [appellant] zich in deze redelijk heeft opgesteld. Anderzijds overweegt de klachtencommissie dat van Woonvisie verwacht had mogen worden dat zij bij deze ‘repeterende klachten’ de vinger aan de pols had gehouden, de klachten zou volgen, en daarnaar zou handelen.
- ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde;
- veroordeling van [appellant] tot betaling van achterstallige huur, tot en met juli 2013
€ 5.707,58 bedragend, met wettelijke rente;
- veroordeling van [appellant] tot betaling van buitengerechtelijke kosten ten bedrage
van € 179,02;
- veroordeling van [appellant] tot maandelijkse betaling van € 492,92 met ingang van
augustus 2013 tot en met de maand van ontruiming.
De kantonrechter heeft de vorderingen van Woonvisie, met uitzondering van de buitengerechtelijke kosten, toegewezen. Daarbij heeft de kantonrechter onder meer overwogen dat niet alleen de overlast na de uitspraak van de klachtencommissie in belangrijke mate is verminderd, maar dat [appellant] bovendien bij de rechter geen (evenredige) vermindering van de huurprijs heeft gevorderd. De niet betwiste huurachterstand rechtvaardigt ontbinding van de huurovereenkomst en veroordeling tot ontruiming, aldus de kantonrechter.
Grief I bevat een klacht over het niet behandelen van de reconventionele vordering. Met grief II wordt geklaagd over het oordeel dat het ervoor gehouden moet worden dat de overlast van de nummers 3 en 7 grotendeels is verdwenen. Met grief III wordt geklaagd over het oordeel dat er in ieder geval vanaf januari 2013 onvoldoende reden was voor opschorting van huurpenningen. Grief IV bevat een klacht over de van [appellant] te vergen tolerantie conform het advies van de klachtencommissie waarbij de kantonrechter zich heeft aangesloten. Met grief V wordt geklaagd over de overweging dat [appellant] zich niet tot de rechter heeft gewend om een evenredige vermindering van huurpenningen te vorderen. De grieven VI, VII, VIII en IX bevatten klachten over de toewijzing van de vorderingen van Woonvisie. De grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling.
Anders dan [appellant] stelt, heeft de kantonrechter op goede gronden geoordeeld dat de eis in reconventie door [appellant] te laat is ingesteld. De eis van concentratie van verweer, die de wetgever heeft vastgelegd in artikel 137 Rv Pro, staat in de weg aan een reconventionele eis die pas bij conclusie van dupliek wordt ingesteld. In hoger beroep kan dit verzuim niet meer worden hersteld, gelet op het bepaalde in artikel 353, eerste lid Rv. Dit betekent dat de vordering tot verlaging van de huurprijs in deze procedure niet aan de orde is. Nu gesteld noch gebleken is dat [appellant] tijdig anderszins (binnen de vervaltermijn van artikel 7:257, derde lid BW) in rechte huurprijsvermindering heeft gevorderd en/of verkregen (wegens de gestelde overlast), betekent dit dat zijn verplichting tot betaling van de volledige huurprijs is blijven bestaan. Als niet weersproken staat vast dat [appellant] in ieder geval in de periode augustus 2012 tot augustus 2013 (de periode waarop de huurvordering van € 5.707,58 betrekking heeft) in het geheel geen huur heeft betaald.
Beslissing
- bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Rotterdam van 22 november 2013;
- veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van Woonvisie tot op heden begroot op € 704,-- aan verschotten en € 2.235,-- aan salaris advocaat;