Partijen sloten in 1986 een huurovereenkomst voor een 2-kamerwoning in Rotterdam. Woonstad vorderde beëindiging van de huur en ontruiming wegens dringend eigen gebruik voor renovatie. De rechtbank wees de vordering toe, en het hof bekrachtigde dit oordeel.
Het hof stelde vast dat de renovatie noodzakelijk is vanwege de slechte bouwkundige staat, met name de fundering, en dat voortzetting van de huur onmogelijk is omdat de woning zal verdwijnen in een herindeling. De renovatie is redelijk en passend, mede gezien het Masterplan Oude Westen en de maatschappelijke belangen.
Hoewel Woonstad de renovatie deels wil laten uitvoeren door een koper, staat dit niet aan dringend eigen gebruik in de weg. De huurder kon geen passende woonruimte verkrijgen en zijn grieven faalden. De vordering tot schadevergoeding werd niet-ontvankelijk verklaard. Het hof veroordeelde de huurder in de kosten van het hoger beroep.