Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Arrest d.d. 21 oktober 2014
[appellant],[appellante],
Kinderopvangcentrum Bonbon B.V.,
de gemeente Albrandswaard,
zetelend te Poortugaal,
Het verdere geding
De beoordeling van het hoger beroep
Volgens (als productie 2 bij conclusie van eis in het geding gebrachte) verkoopinformatie heeft de gemeente medio maart 2008 “te koop bij inschrijving” aangeboden de onroerende zaak [adres]. [appellant] was één van de inschrijvers. Op 25 april 2008 liet de makelaar die voor de gemeente optrad, [appellant] weten dat zijn inschrijving de hoogste was. Tussen [appellant] en de gemeente is geschil gerezen over de vraag of een koopovereenkomst met betrekking tot voormelde onroerende zaak tot stand is gekomen, althans of de onderhandelingen over een zodanige overeenkomst zo ver waren gevorderd en inhoudelijk een dusdanig stadium hadden bereikt dat de gemeente die onderhandelingen niet had mogen afbreken. Bonbon, die ook geïnteresseerd was in de onroerende zaak, heeft op 17 juni 2009 daarop beslag doen leggen. Dit beslag is op 19 juli 2011 opgeheven. [appellant] heeft op de zaak beslag laten leggen dat op 29 september 2009 aan de gemeente is betekend.
procedure tussen [appellant] en de gemeenteis er een koopovereenkomst tot stand gekomen?
“
Bod van fam. [appellanten].€ 637.500,= onder het voorbehoud dat er een schone grond verklaring wordt afgegeven, zoals toegezegd.”Daarmee heeft hij een voorwaardelijk bod gedaan dat onderwerp zou worden van onderhandeling tussen partijen. Op diezelfde dag heeft de makelaar van de gemeente gereageerd met de mededeling dat de inschrijving van [appellant] de hoogste was. Nu het ging om een (voorwaardelijk) bod, kon [appellant], anders dan hij betoogt, deze mededeling redelijkerwijs niet opvatten als een aanvaarding van zijn (dan als onvoorwaardelijk te beschouwen) aanbod tot koop volgens de voorwaarden in de verkoopbrochure waardoor tussen partijen een koopovereenkomst overeenkomstig die voorwaarden tot stand is gekomen. Voor zover wel van een onvoorwaardelijk aanbod zou worden uitgegaan en de mededeling van de makelaar zou gelden als een aanvaarding van dat aanbod, geldt dat de enkele omstandigheid dat een makelaar die is ingeschakeld bij de verkoop van een onroerende zaak, aan een gegadigde die een bod op die zaak heeft gedaan, meedeelt dat de opdrachtgever instemt met het bod, niet meebrengt dat de wederpartij daaruit mag afleiden dat de makelaar als gevolmachtigde van die opdrachtgever handelt. De wederpartij dient in een zodanig geval aan te nemen dat de makelaar optreedt als bode van zijn opdrachtgever. Wanneer de makelaar, onbevoegd, zich zodanig gedraagt dat de wederpartij daaruit mag afleiden dat de makelaar als gevolmachtigde van de opdrachtgever handelt, bindt hij zijn opdrachtgever in beginsel niet. Dit is alleen anders indien aan de pseudo-opdrachtgever is toe te rekenen dat de schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid is gewekt. Voor het oordeel dat dit geval zich heeft voorgedaan, is onvoldoende gesteld of gebleken. Met name is onvoldoende het enkele feit dat de begeleiding van de verkoop in handen van een makelaar wordt gelegd.
verplichting tot dooronderhandelen?
schade als gevolg van het beslag?
procedure tussen [appellant] en Bonbon
de slotsom in beide procedures
Beslissing