Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Arrest van 16 december 2014
DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Financiën),
DE GEMEENTE ROTTERDAM,
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
primairvordert dat het hof Gemeentebelastingen beveelt de (WOZ)waarde van de Slufter voor het belastingjaar 2000 en de WOZ-beschikkingen met betrekking tot de Slufter voor de tijdvakken 2001-2004 en 2005-2006 te verminderen naar een waarde die is afgeleid van de waarde die in of naar aanleiding van een onherroepelijke uitspraak van de belastingrechter inzake 2008 wordt vastgesteld (althans naar een in goede justitie te bepalen waarde) en
subsidiairdat het hof voor recht zal verklaren dat deze (WOZ-)waarden onjuist zijn (vastgesteld) en dat deswege op Gemeentebelastingen de verplichting rust om deze waarden te verminderen naar de uit voormelde fiscale procedure af te leiden, althans een in goede justitie te bepalen waarde,
alsmededat het hof voor recht zal verklaren dat de Gemeente, althans Gemeentebelastingen onrechtmatig handelt door te weigeren de WOZ-waarden voor 2000-2006 (verder) te verminderen tot een in of naar aanleiding van een onherroepelijke uitspraak in de fiscale procedure met betrekking tot 2008 vastgestelde (althans een in goede justitie te bepalen) waarde, en aansprakelijk is voor de daardoor door de Staat geleden schade.
eerste incidentele griefvan de Gemeente is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat deze bevoegd is in de onderhavige zaak. De Gemeente wijst erop dat de vorderingen van de Staat in wezen strekken tot herbeoordeling van de WOZ-waarde van de Slufter en dat de Staat bij de burgerlijke rechter een processueel debat probeert te voeren dat bij de belastingrechter thuishoort. De Gemeente betoogt dat de burgerlijke rechter zich daartoe niet mag lenen en zich onbevoegd behoort te verklaren. De
tweede incidentele griefklaagt erover dat de rechtbank de Staat niet niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn vorderingen. De Gemeente brengt naar voren dat de Staat onvoldoende heeft gesteld om doorbreking van de formele rechtskracht van de beschikkingen van Gemeentebelastingen te rechtvaardigen en te kunnen concluderen dat aan Gemeentebelastingen binnen de vijfjaarstermijn is gebleken dat de waarde ten minste 20% te hoog is vastgesteld.
eerste griefvan de Staat is gericht tegen de overweging van de rechtbank dat van een verplichting tot ambtshalve vermindering van de WOZ-waarde alleen sprake kan zijn als Gemeentebelastingen tot geen andere slotsom had kunnen komen dan dat de waardevaststelling onmiskenbaar onjuist was. De Staat voert aan dat dit een onjuist criterium is, omdat ingevolge artikel 2 van Pro het Uitvoeringsbesluit Wet waardering onroerende zaken (Stb. 1997, 30; verder: het Uitvoeringsbesluit) slechts geldt dat Gemeentebelastingen, indien een WOZ-waarde onherroepelijk is vastgesteld, verplicht is tot ambtshalve vermindering van de waarde, indien binnen vijf jaren na de vaststelling blijkt dat deze waarde ten minste 20 procent te hoog is vastgesteld. De
tweede griefbestrijdt de verwerping door de rechtbank van de stelling van de Staat dat Gemeentebelastingen de WOZ-waarde heeft vastgesteld zonder beredeneerde waardeonderbouwing. Volgens de Staat is de rechtbank ten onrechte voorbijgegaan aan de erkenning van de Gemeente dat voorafgaand aan het opleggen van de aanslagen een zeer summiere bepaling van de waarde van de Slufter heeft plaatsgevonden. De Staat brengt naar voren dat, als Gemeentebelastingen een WOZ-waarde vaststelt zonder deze beredeneerd en conform de Wet WOZ te bepalen, daarmee gegeven is dat Gemeentebelastingen ook weet dat die waardevaststelling onjuist is. De
derde griefkeert zich tegen het oordeel van de rechtbank dat Gemeentebelastingen bij de waardebepaling van de Slufter kon aansluiten bij de in de Rotterdamse haven gehanteerde grondwaardetabellen. Volgens de Staat had Gemeentebelastingen moeten uitgaan van de waarde van zeebodem. De Staat wijst erop dat het uitgaan van de waarde van bestaande gronden, zoals Gemeentebelastingen heeft gedaan, evident onjuist is en dat dat door de bestuursrechter in de uitspraak van 12 maart 2013 is bevestigd. De Staat voert voorts aan dat de rechtbank geen betekenis had mogen hechten aan een transactie van 17 december 2004 tussen het Havenbedrijf en de Staat, waarbij het Havenbedrijf 9.000.000 m3 nettobergingscapaciteit in de Slufter heeft verkocht voor € 30.000.000. De
vierde griefklaagt over het oordeel van de rechtbank dat de omstandigheid dat Gemeentebelastingen wist van de bezwaren van de Staat en het Havenbedrijf, er nog niet toe leidt dat voor Gemeentebelastingen naar objectieve maatstaven onmiskenbaar was dat de vastgestelde WOZ-waarde beduidend te hoog was. De Staat wijst er wederom op dat het door de rechtbank gehanteerde criterium onjuist is. Daarnaast brengt de Staat naar voren dat het compromisvoorstel dat Gemeentebelastingen op 5 januari 2007 heeft gedaan, dient te worden beschouwd als een erkenning dat de oorspronkelijke WOZ-waarde beduidend te hoog is vastgesteld. De Staat leidt dat mede af uit het feit dat Gemeentebelastingen de WOZ-waarde voor de jaren vanaf 2005 naderhand op 50% van de oorspronkelijke waarde heeft vastgesteld. De
vijfde griefvalt het oordeel van de rechtbank aan, dat Gemeentebelastingen niet binnen de 5-jaarstermijn op de hoogte is geweest van de bevindingen van de door zijn medewerker taxateur [naam], die de Slufter op 31 oktober 2007 (dus binnen die termijn) heeft bezichtigd. De Staat betoogt dat ervan moet worden uitgegaan dat de taxatie van [naam] binnen de vijfjaarstermijn aan Gemeentebelastingen bekend was en dat de omstandigheid dat [naam] daarvan pas geruime tijd na afloop van die termijn rapport heeft opgemaakt, voor rekening van Gemeentebelastingen moet blijven, omdat zijn kennis aan Gemeentebelastingen moet worden toegerekend. De
zesde griefbetwist de overweging van de rechtbank dat Gemeentebelastingen naar voren heeft gebracht dat hij bij zijn beschikkingen van 8 oktober 2010 de door [naam] opgegeven subsidiaire vervangingswaarde voor de jaren 2005 en 2006 uit compromissoire overwegingen heeft gedaan en dat, als dat zo is, de Staat daaraan geen rechten tot een verdere toepassing van ambtshalve vermindering van de (WOZ-)waarden kan ontlenen. De Staat betoogt dat bij ambtshalve vermindering tot de werkelijke waarde dient te worden verminderd en dat, als overtuigend wordt aangetoond dat de werkelijke waarde beduidend lager ligt dan de waarde die de Gemeente bij de ambtshalve vermindering tot uitgangspunt heeft genomen, Gemeentebelastingen gehouden is de waarde verder te verminderen. De
zevende griefbetreft het oordeel van de rechtbank dat de Staat onvoldoende heeft onderbouwd dat Gemeentebelastingen bij haar beslissing van 8 augustus 2008 om de aan het Havenbedrijf opgelegde aanslagen te vernietigen misbruik van bevoegdheid heeft gemaakt door daarbij te laten meewegen dat ook het ontvankelijke bezwaarschrift van het Havenbedrijf voor het belastingjaar 1999 van tafel zou zijn. De Staat wijst erop dat dit ertoe leidt dat het Havenbedrijf in het geheel geen OZB verschuldigd is, terwijl de Staat voor de jaren 2000-2006 OZB heeft voldaan die gebaseerd is op een beduidend te hoge waarde van de Slufter. De Staat concludeert dat Gemeentebelastingen terzake heeft gehandeld in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het zorgvuldigheidsbeginsel, en daarmee onrechtmatig heeft gehandeld. De grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling.