Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 28 oktober 2014
[appellant],
Lindorff Purchase B.V. (voorheen Transfair Purchase B.V.),
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
korte route).Verder is aanspraak gemaakt op de contractuele rente en de buitengerechtelijke kosten ad € 300,--. T-Mobile heeft haar vordering op [appellant] op 25 oktober 2010 aan Lindorff verkocht en gecedeerd, van welke cessie [appellant] schriftelijk in kennis is gesteld.
€ 41,13. De voormelde richtlijn staat niet in de weg aan toewijzing van dit onderdeel van de vordering.
€ 1.121,36 (excl btw). Over dit beding is niet afzonderlijk onderhandeld als bedoeld in artikel 3 lid 1 van Pro de richtlijn en het is ook geen kernbeding in de zin van artikel 4 lid 2 daarvan Pro. Naar het oordeel van het hof is er grond voor het vermoeden dat dit onderdeel van de vordering zijn grondslag vindt in een beding dat tot doel of gevolg heeft de consument die zijn verbintenis niet nakomt, een onevenredig hoge schadevergoeding op te leggen. Een dergelijk beding is oneerlijk in de zin van artikel 3 lid Pro 1 (jo. bijlage artikel 1 onder Pro e) van de richtlijn en dient als onredelijk bezwarend (in de zin van artikel 6:233 onder Pro a BW) te worden vernietigd en buiten toepassing te blijven. De mogelijke onevenredigheid van de hoogte van de schadevergoeding is gelegen in het feit dat enerzijds [appellant] het volledige restant van de abonnementskosten moet betalen, terwijl anderzijds de verplichtingen van T-Mobile uit de overeenkomst geheel zijn geëindigd. Het enkele feit dat Lindorff eenzijdig teneinde het ambtshalve te toetsen eventueel onredelijk karakter van de bedingen weg te nemen overeenkomstig de aanbevelingen van de LOVK-werkgroep van februari 2010 de vordering ter zake van de resterende abonnementstermijnen heeft beperkt tot 75% van de volgens het beding verschuldigd bedrag betekent niet dat het beding om die reden geldig is en niet als oneerlijk en onredelijk bezwarend moet worden aangemerkt. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat het Hof van Justitie in zijn arrest van 30 mei 2013 (Zaak C-488/11) (ECLI:EU:C:2013:341) op een prejudiciële vraag van het gerechtshof Amsterdam heeft beslist dat artikel 6 van Pro de richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat een nationale rechter die heeft vastgesteld dat een boetebeding in een overeenkomst tussen een verkoper en een consument oneerlijk is, er niet mee mag volstaan, zoals dit op grond van het nationale recht is toegestaan, de hoogte van de ingevolge dat beding aan de consument in rekening gebrachte boete te matigen, maar zonder meer verplicht is dat beding voor de consument buiten beschouwing te laten. Deze beslissing en de daaraan te grondslag gelegde motivering vormt een aanwijzing dat dit uitgangspunt ook geldt indien geen sprake is van een rechterlijke matiging van de boete op de voet van artikel 6:94 lid 1 BW Pro maar van een eenzijdige matiging door T-Mobile zoals hier het geval is geweest.
(€ 655,24 en € 300,-- aan buitengerechtelijke kosten), te vermeerderen met de contractuele rente als vermeld in het dictum. Nu partijen deels over en weer in het ongelijk zijn gesteld zal het hof de proceskosten in beide instanties compenseren in die zin dat ieder van de partijen de eigen kosten draagt.
Beslissing
opnieuw rechtdoende:
- compenseert de proceskosten in de beide instanties, in die zin dat ieder der partijen de eigen kosten draagt;
- wijst af het meer of anders gevorderde;
- verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.