ECLI:NL:GHDHA:2014:3378
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling kennelijk onredelijk ontslag van langdurig arbeidsongeschikte werknemer
De werknemer was sinds 1984 in dienst bij de werkgever als metaalbewerker en raakte in 2009 arbeidsongeschikt door klachten aan zijn rechterarm en pols, mede door een bedrijfsongeval in 1996. Ondanks langdurige arbeidsongeschiktheid werd het dienstverband in 2011 beëindigd met toestemming van het UWV.
De werknemer vorderde in eerste aanleg en in hoger beroep een verklaring voor recht dat het ontslag kennelijk onredelijk was en een schadevergoeding van ruim €367.000. Hij stelde dat de werkgever tekort was geschoten in haar zorgplicht, re-integratieverplichtingen en dat het ontslag ernstige financiële gevolgen had.
Het hof oordeelde dat de werknemer onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat het bedrijfsongeval en de arbeidsongeschiktheid aan de werkgever te wijten waren. De werkgever had het loon volledig doorbetaald tijdens arbeidsongeschiktheid, had re-integratie-inspanningen geleverd en er was geen sprake van verwijtbaar handelen. De belangenafweging leidde tot het oordeel dat het ontslag niet kennelijk onredelijk was.
Daarom werd het vonnis van de kantonrechter bekrachtigd en werd de werknemer veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis dat het ontslag niet kennelijk onredelijk is en wijst de vordering van werknemer af.