In deze civiele zaak stond de vraag centraal of de finale kwijting tussen Yami B.V. en Stichting Pensioenfonds Metaal en Techniek (PMT) ook de premievorderingen na 30 september 2008 besloeg. Het hof oordeelde dat de finale kwijting slechts betrekking had op de periode tot en met het derde kwartaal van 2008, zodat de vorderingen van PMT over de periode daarna toewijsbaar zijn.
PMT had een bedrag van €6.804,25 gevorderd, exclusief rente en boete, voor premies over deze periode. Het beroep op dwaling door PMT faalde omdat zij onvoldoende had onderbouwd dat zij niet bekend was met de gegevens die later werden aangevoerd. Yami had haar loonadministratie aan PMT verstrekt en PMT had ruimschoots de gelegenheid gehad om de bedragen te controleren.
De rechtbank werd vernietigd voor zover zij de vordering van PMT had afgewezen. Het hof veroordeelde Yami tot betaling van de premie, een boete van 10% (€680,43) en wettelijke rente vanaf 6 december 2009. De proceskosten tussen Yami en PMT werden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt. Yami werd niet ontvankelijk verklaard in het hoger beroep tegen OTIB en SFM vanwege de appelgrens.