Belanghebbende, een kunstenares, ontving jaarlijks bedragen van een in Liechtenstein gevestigde stichting, opgericht door haar vader. De stichting keerde periodiek uitkeringen uit aan belanghebbende als tweede begunstigde. De Inspecteur stelde aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen vast over 2007, waarbij de uitkeringen als belastbaar inkomen werden aangemerkt.
Belanghebbende voerde aan dat de stichting transparant was, waardoor de uitkeringen niet belastbaar zouden zijn. De rechtbank verwierp dit verweer omdat niet was aangetoond dat de stichting feitelijk als transparant kon worden beschouwd. Het hof bevestigde dit oordeel in hoger beroep. Uit de statuten en correspondentie bleek dat de stichting zelfstandig beslissingen nam en dat de stichter niet onbeperkt over het vermogen kon beschikken alsof het zijn eigen vermogen was.
Het hof oordeelde dat de uitkeringen niet in rechte vorderbaar zijn, maar wel periodiek worden verstrekt door een rechtspersoon, waardoor zij belastbaar zijn volgens artikel 3:101, eerste lid, onder d, van de Wet inkomstenbelasting 2001. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.