ECLI:NL:GHDHA:2014:1248

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
8 april 2014
Publicatiedatum
10 april 2014
Zaaknummer
200.124.489-01
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:266 lid 3 BWArt. 7:267 BWArt. 7:268 lid 1 BWArt. 7:268 lid 2 BWArt. 237 lid 3 Rv
Verwijzingen
5 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing voortzetting huurovereenkomst na overlijden huurder

In deze zaak stond de voortzetting van een huurovereenkomst centraal na het overlijden van de oorspronkelijke huurder, de moeder van appellant. De moeder was op grond van de wet huurder geworden na het overlijden van haar echtgenoot. Toen zij in 2009 naar een verpleegtehuis verhuisde, ging appellant de huur betalen en bleef in de woning wonen. Na haar overlijden in 2011 stelde geïntimeerde dat appellant zonder titel in de woning verbleef.

Geïntimeerde vorderde ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming, terwijl appellant verzocht om voortzetting van de huurovereenkomst op grond van artikel 7:268 lid 2 BW Pro of op basis van redelijkheid en billijkheid. De kantonrechter wees de vordering tot voortzetting af omdat appellant niet binnen zes maanden na het overlijden van zijn moeder een vordering had ingesteld.

Het hof bevestigde dit oordeel en oordeelde dat de wettelijke termijn van zes maanden dwingend is en slechts in uitzonderlijke gevallen kan worden overschreden. Het feit dat appellant de huur betaalde en in de woning bleef wonen na het overlijden van zijn moeder, was onvoldoende om af te wijken van deze termijn. De vordering tot ontruiming werd dan ook toegewezen en appellant werd veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: Het hof bevestigt dat de huurovereenkomst niet wordt voortgezet en veroordeelt appellant tot ontruiming en betaling van huurachterstand.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht
Zaaknummer : 200.124.489/01
Rol-/zaaknummer rechtbank : 1188261 / 12-19309

arrest d.d. 8 april 2014

inzake

[appellant],

wonende te [plaats],
appellant,
hierna te noemen: [appellant],
advocaat: mr. L. Kuijper te Den Haag,
tegen

[geïntimeerde],

gevestigd te [plaats],
geïntimeerde,
hierna te noemen: [geïntimeerde],
advocaat: mr. R.A.G. Lips te Den Haag.

Het geding

Bij exploot van 15 maart 2013 is [appellant] in hoger beroep gekomen van het door de rechtbank ’s-Gravenhage, sector kanton (hierna: de kantonrechter) tussen partijen gewezen vonnis van 17 december 2012. [appellant] heeft één grief aangevoerd tegen het vonnis. Bij memorie van antwoord heeft [geïntimeerde] de grief bestreden. Hierna hebben partijen arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1.
Partijen zijn niet opgekomen tegen de vaststelling van de feiten door de kantonrechter onder 1.1. en 1.2. van het bestreden vonnis, zodat het hof ook van deze feiten zal uitgaan. Het gaat in deze zaak om het volgende.
Tussen [geïntimeerde] en [X] bestond een huurovereenkomst ten aanzien van de woning aan de [A-straat 1] te [plaats]. [X] was gehuwd met [Y], de moeder van [appellant]. Op 1 januari 2000 is [X] overleden, waardoor [Y] van rechtswege huurster werd op grond van artikel 7:266 lid 3 BW Pro. In 2002 is [appellant] bij zijn moeder ingetrokken en toen zijn moeder in 2009 naar een verpleegtehuis verhuisde, is hij de huur gaan betalen. De huur bedroeg ten tijde van het vonnis in eerste aanleg € 377,36 per maand. Op 5 juli 2011 is [Y] overleden.
2.
[geïntimeerde] heeft bij inleidende dagvaarding in conventie gevorderd (i) de ontbinding van de huurovereenkomst, (ii) de veroordeling van [appellant] tot ontruiming van de woning, (iii) de veroordeling van [appellant] tot betaling van de huurachterstand tot juli 2012, met wettelijke rente, alsmede tot betaling van een gebruiksvergoeding voor iedere maand dat [appellant] het gehuurde vanaf 1 augustus 2012 in bezit zal houden en (iv) de veroordeling van [appellant] tot betaling van de buitengerechtelijke kosten en de proceskosten. In reconventie heeft [appellant] gevorderd dat de kantonrechter zal bepalen dat de huurovereenkomst met [appellant] zal worden voortgezet op de grond van artikel 7:268 lid 2 BW Pro althans op grond van de redelijkheid en billijkheid.
3.
Bij het bestreden vonnis heeft de kantonrechter geoordeeld dat [appellant] zonder titel in de woning verbleef, omdat hij niet binnen de in artikel 7:268 lid 2 BW Pro genoemde termijn van zes maanden na het overlijden van zijn moeder een vordering heeft ingesteld strekkende tot voortzetting van de huurovereenkomst met hem en er geen aanleiding was om van die termijn af te wijken. De kantonrechter heeft de conventionele vorderingen van [geïntimeerde] toegewezen, met uitzondering van de vordering sub (i) tot ontbinding, die niet kon worden toegewezen bij gebreke van een huurovereenkomst. De reconventionele vordering van [appellant] is afgewezen. [appellant] is in de proceskosten veroordeeld.
4.
Het hof stelt voorop dat [appellant] en zijn moeder niet op enig moment nadat [appellant] bij haar was ingetrokken aan [geïntimeerde] hebben verzocht om ermee in te stemmen dat [appellant] voortaan medehuurder zou zijn. Daargelaten de vraag of [appellant] aan de daarvoor geldende vereisten zou hebben voldaan, is hij dus in elk geval nooit via de weg van artikel 7:267 BW Pro medehuurder geworden. Dit betekent ook dat [appellant] na het overlijden van zijn moeder niet van rechtswege huurder is geworden op de grond van artikel 7:268 lid 1 BW Pro. De omstandigheid dat [appellant] na het overlijden van zijn moeder huur is blijven betalen – [geïntimeerde] was met dit overlijden overigens niet bekend –, maakt [appellant] nog niet tot huurder. Hij heeft daar ook niet gerechtvaardigd op mogen vertrouwen.
5.
Uitgangspunt is dus dat [appellant] na het verstrijken van de zes maanden termijn van artikel 7:268 lid 2 BW Pro zonder recht of titel in de woning verbleef. De grief van [appellant] strekt ten betoge dat op grond van de redelijkheid en billijkheid moet worden afgeweken van de in artikel 7:268 lid 2 BW Pro bedoelde termijn van zes maanden, althans dat de huurovereenkomst (met moeder) op grond van de redelijkheid en billijkheid (met [appellant]) moet worden voortgezet. De grief faalt. Zoals de kantonrechter terecht heeft overwogen is sprake van een dwingende termijn en is afwijking van die termijn op billijkheidsgronden slechts bij hoge uitzondering gerechtvaardigd. Het hof is met de kantonrechter van oordeel dat hetgeen [appellant] heeft aangevoerd hiertoe onvoldoende is. Dat [appellant] de huur is gaan betalen vanaf 2009 toen zijn moeder naar het verpleeghuis ging en ook na het overlijden van zijn moeder in de woning is blijven wonen, is onvoldoende om met voorbijgaan aan de wettelijke termijn te oordelen dat de huurovereenkomst met [appellant] om overwegingen van redelijkheid en billijkheid moet worden voortgezet. De stelling van [appellant] dat de huurachterstand buiten zijn schuld is ontstaan als gevolg van de weigering van de gemeente om aan hem een volledige Wwb-uitkering toe te kennen, is, wat daar ook van zij, in dit verband voorts niet relevant. Zoals [geïntimeerde] terecht aanvoert, had [appellant] ook als van een huurachterstand geen sprake was geweest binnen zes maanden na het overlijden van zijn moeder een vordering tot voortzetting als bedoeld in artikel 7:268 lid 2 BW Pro moeten instellen. De kantonrechter heeft de vordering tot veroordeling tot ontruiming dan ook terecht toegewezen. [appellant] verbleef zonder titel in de woning. De grief faalt.
6.
Tegen de toewijzing van de vordering tot betaling van de huurachterstand en van een gebruiksvergoeding zolang het gebruik voortduurde, alsmede tot betaling van de buitengerechtelijke kosten is geen afzonderlijke grief gericht.
7.
De conclusie luidt dat het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd. Bij deze uitkomst past dat [appellant] in de proceskosten in hoger beroep zal worden veroordeeld, waaronder begrepen de (nog te maken) nakosten (waarvoor onderstaande veroordeling een executoriale titel geeft (HR 19 maart 2010, LJN: BL1116)). Ingevolge artikel 237, derde lid, Rv blijft de vaststelling van de proceskosten door het hof in dit arrest beperkt tot de vóór de uitspraak gemaakte kosten.

Beslissing

Het hof:
- bekrachtigt het bestreden vonnis;
- veroordeelt [appellant] in de proceskosten in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 299,- aan griffierecht en € 894,- aan salaris advocaat.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.A.F. Tan-de Sonnaville, E.M. Dousma-Valk en T.G. Lautenbach en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 april 2014 in aanwezigheid van de griffier.