ECLI:NL:GHDHA:2013:CA2997
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep bankrechtelijke zorgplicht en marginverplichtingen afgewezen
In deze zaak heeft appellant hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam waarin zijn vordering tegen ABN AMRO Bank N.V. werd afgewezen. Appellant stelde dat de bank tekort was geschoten in haar zorgplicht, onder meer door het niet correct toepassen van marginverplichtingen en het niet tijdig sluiten van posities.
Het hof heeft de verschillende grieven van appellant punt voor punt beoordeeld. Ten aanzien van de marginverplichtingen oordeelde het hof dat de bank niet verplicht was de marginregels van de Amerikaanse beurs (CBOE) toe te passen, maar zelfstandig een margin moest vaststellen conform de Nederlandse regelgeving. Ook was onvoldoende gesteld dat de bank de vijfdagentermijn voor het sluiten van posities had overschreden met schade als gevolg.
Verder faalden de klachten over de tekortenprocedures, advisering, orderweigering en vermeende onregelmatigheden bij Gucci-posities, omdat appellant onvoldoende had gesteld over de aard van de schade en het causaal verband met de vermeende fouten van de bank.
Het hof bekrachtigde het vonnis van de rechtbank en veroordeelde appellant in de kosten van het hoger beroep. De vordering tot verwijdering van een BKR-registratie werd eveneens afgewezen omdat de bank deze niet had aangemeld.
Al met al concludeerde het hof dat appellant onvoldoende bewijs en motivatie had geleverd om de bank aansprakelijk te houden voor de gestelde tekortkomingen.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank en wijst het hoger beroep van appellant af wegens onvoldoende onderbouwing van schade en tekortkomingen van de bank.