ECLI:NL:GHDHA:2013:BZ8191
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van voorlopige aanslag zonder alleenstaande ouderkorting wegens ontbreken recht
Belanghebbende, een alleenstaande ouder met twee kinderen, kreeg in 2008 en 2009 een voorlopige teruggaaf toegekend met toepassing van de alleenstaande ouderkorting. Later werd een voorlopige aanslag opgelegd waarbij deze korting niet werd toegekend, omdat aan de wettelijke voorwaarden niet werd voldaan. Belanghebbende stelde dat de Inspecteur het vertrouwensbeginsel had geschonden door niet conform toezegging de aanslag te vereffenen.
De rechtbank oordeelde dat de aanslag terecht was opgelegd zonder de korting, omdat één kind ouder was dan 27 jaar en belanghebbende geen recht had op de korting. Ook werd geoordeeld dat de korting op de uitkering niet tot onjuistheid van de aanslag leidde en dat belanghebbende zich tot de uitkeringsinstantie moest wenden voor correctie.
In hoger beroep bevestigde het hof het oordeel van de rechtbank. Het hof stelde dat het vertrouwensbeginsel niet kon worden ingeroepen om de aanslag te verminderen of te vernietigen, omdat belanghebbende onvoldoende feiten had gesteld waaruit een toezegging of bewuste standpuntbepaling van de Inspecteur bleek. Ook het beroep op het zorgvuldigheidsbeginsel faalde wegens gebrek aan feitelijke grondslag.
Het hof concludeerde dat de voorlopige aanslag correct was vastgesteld en dat het beroep ongegrond was. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd en de proceskosten werden niet aan een partij opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de voorlopige aanslag zonder alleenstaande ouderkorting wordt bevestigd.