Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Arrest d.d. 10 december 2013
[appellant],
GREAT BLUE SKY INTERNATIONAL LIMITED COMPANY,
Het verloop van het geding
Pleitnotities in
Appel). Met het oog op het pleidooi zijn door beide partijen stukken aan het hof en de wederpartij verstuurd, te weten:
Beoordeling van het hoger beroep
tobacco’ en ‘
smokers’ articles’ in warenklasse 34.
tabac’ en ‘
articles pour fumeurs’ in warenklasse 34.
in conventie:
in reconventiegevorderd nietigverklaring van het GBS-merk op de grond dat GBS bij de indiening van de aanvraag daarvoor te kwader trouw was (artikel 52 lid 1 sub b GMVo Pro), met veroordeling van Promodyne c.s. in de volledige proceskosten als bedoeld in artikel 1019h Rv.
in tenminste één lidstaat van de EUeen gelijk of overeenstemmend teken gebruikte voor dezelfde of soortgelijke waar. Dit blijkt uit punt 40 van het arrest van het HvJEU van 11 juni 2009 in zaak C-529/07 ‘
Lindt’ (over de chocoladehaas). Indien aan deze basisvoorwaarde niet is voldaan, kan er geen kwade trouw in de zin van artikel 52 lid 1 sub b GMVo Pro zijn.
Winters/Red Bull’; vergelijk ook punt 3 van de annotatie van D.W.F. Verkade bij het arrest van het Beneluxgerechtshof van 13 juni 1994 ‘
Champion’, NJ 1994, 666). Dit betekent dat, wanneer dat gevaar uitgesloten moet worden geacht, van merkgebruik in de EU niet kan worden gesproken, ook al is aan de letter van artikel 9 lid 2 sub a en Pro c (en artikel 15 lid 1 bij Pro b) GMVo voldaan. Partijen verschillen weliswaar van mening over de vraag wie in 2005 (als eerste) in de EU sigarettenpakjes voorzien van de ‘Maba’-tekens heeft doen produceren, maar tussen hen is in confesso dat de geproduceerde ‘Maba’- sigarettenpakjes in de periode voor de GBS-aanvrage (en overigens ook daarna) niet in de EU in de handel zijn gekomen. Derhalve kan – aangenomen al dat [appellant] degene was die in 2005 de opdracht tot het produceren van sigaretten met de ‘Maba’-tekens heeft gegeven – van (anticiperend) merkgebruik door [appellant] in de EU geen sprake zijn. Reeds hierom moet, gezien het onder 5.1 overwogene, worden geoordeeld dat de GBS-aanvrage niet te kwader trouw is gedaan. De stelling van [appellant] dat GBS wist dat [appellant] in de EU sigarettenpakjes met de ‘Maba’-tekens liet fabriceren voor export, kan bij deze stand van zaken onbesproken blijven. Dat geldt ook voor zijn stellingen dat hij de ‘Maba’-tekens heeft bedacht en dat hij buiten de EU die tekens eerder/als eerste is gaan gebruiken en als merk heeft gedeponeerd.
Lindt’-arrest heeft het HvJEU voorop gesteld dat de kwade trouw van de aanvrager in de zin van artikel 51, lid 2 sub b GMVo globaal moet worden beoordeeld, met inachtneming van alle relevante factoren van het concrete geval (punt 37 van dat arrest). Verder heeft het HvJEU in dat arrest gepreciseerd (in de punten 40 en 41) dat de omstandigheid dat de aanvrager weet of behoort te weten dat de derde het merk in de EU gebruikt waardoor verwarring kan ontstaan met het teken waarvoor inschrijving wordt aangevraagd, op zich niet volstaat als bewijs van kwade trouw van de aanvrager, maar dat bij de beoordeling daarvan tevens het oogmerk van de aanvrager op het tijdstip van de merkaanvraag in aanmerking moet worden genomen (zie ook het 1e en het 2e gedachtestreepje in het dictum). Het HvJEU heeft dit uitgewerkt in een aantal deelregels die voor zover hier van belang, als volgt luiden.
in fine) dat niet van belang is of [appellant] de ‘Maba’-tekens heeft bedacht en of hij buiten de EU die tekens eerder heeft gebruikt of als merk heeft gedeponeerd. Immers, het enkele bedenken van een merkteken roept nog geen rechtsbescherming in het leven, in dit geval zelfs niet op grond van het auteursrecht (zie de rovv. 6.1-6.8 hierna). Ook hier is de EU het relevante territoir. Verder vormt de GBS-aanvrage geen beletsel om in de EU het product sigaretten op de markt te brengen of te vervaardigen. Toepassing van de deelregels i) en ii) wijst derhalve niet op kwade trouw bij GBS. Omdat ook GBS vóór de GBS-aanvrage nimmer sigaretten onder de ‘Maba’-tekens in de EU in de handel heeft gebracht kan zij geen argument in haar voordeel ontlenen aan deelregel iii). Dit werkt echter ook niet in haar nadeel.
Local de Embarque’ vermeld: Germany. Als vaststaand wordt daarom aangenomen dat GBS het GBS-merk na de aanvrage daarvan in de EU heeft aangebracht op sigarettenverpakkingen met het oog op uitvoer. Dit vormt, uitgaande van het in rov. 5.4 genoemde, ten overvloede in de beoordeling betrokken, ruime gebruiksbegrip, merkgebruik, ook al richt GBS zich niet op de Europese markt. Uit dit een en ander volgt dat GBS het GBS-merk heeft aangevraagd met de bedoeling om dat merk zelf in de EU te gebruiken, en niet (enkel) met het oogmerk om [appellant] het gebruik daarvan te beletten. Ook toepassing van deelregel iv) wijst dus niet in de richting van kwade trouw aan de kant van GBS.
in fineen 5.6 tot uitdrukking is gebracht. Nu hiervoor (zie o.m. de rovv. 5.3 en 5.4) tot uitgangspunt is genomen dat a) [appellant] in de EU de ‘Maba’-tekens heeft aangebracht op sigarettenverpakkingen met het oog op uitvoer daarvan uit de EU en b) [appellant] in Zuidoost-Azië sigaretten onder die tekens verhandelde, en [appellant] geen andere mogelijke vormen van merkgebruik heeft genoemd, is ook zijn aanbod om te bewijzen dat hij het (aan die tekens identieke) GBS-merk gebruikte niet ter zake dienend. De voorts door [appellant] te bewijzen aangeboden stelling, dat GBS te kwader trouw was ten tijde van haar aanvraag, betreft veeleer een juridische kwalificatie dan concrete feiten en leent zich daarom niet voor bewijsvoering. Bovendien ontbeert die stelling gezien het hiervoor onder 5.1 t/m 5.9 overwogene een voldoende feitelijke onderbouwing en is ook daarom bewijs daarvan niet aan de orde. De schriftelijke bewijsstukken waarover [appellant] onder 95 MvG stelt te beschikken, hadden door hem al uit eigen beweging kunnen worden overgelegd. Er is geen reden om hem daarvoor alsnog gelegenheid te bieden.
Endstra-tapes’(LJN: BC2153) voor het Nederlandse auteursrecht heeft overwogen, naar het voortbrengsel zelf moet worden gekeken. Derhalve wordt ook in dit verband het aanbod van [appellant] om te bewijzen dat ‘Maba’ is afgeleid van de uitdrukking ‘King of the Road’ als niet relevant gepasseerd. De stelling van [appellant], dat hij auteursrechthebbende is op het woord ‘Maba’, mist, gelet op het zojuist overwogene, een toereikende feitelijke onderbouwing. Voor bewijs daarvan, zoals door [appellant] aangeboden, is mitsdien geen plaats.
Fire over England’ heeft de HR geoordeeld dat op grond van artikel 6 Aw Pro het auteursrecht uitsluitend aan de schepper van de grondgedachte (het ontwerp) toekomt ‘
indien deze zijn medewerkers zodanig door leiding en toezicht heeft geïnspireerd dat te hunnen opzichte van een eigen schepping niet kan worden gesproken’. Hieruit blijkt dat hoge eisen moeten worden gesteld aan de intensiteit van de leiding en het toezicht. Aan die eisen is niet reeds voldaan wanneer de opdrachtgever zeggenschap kan uitoefenen over eventuele aanpassingen. De stelling van [appellant], dat hij een goedkeuringsrecht had, kan op zichzelf beschouwd niet de conclusie dragen dat hij leiding en toezicht heeft uitgeoefend, met dien verstande dat voor zover een goedkeuringsrecht ‘toezicht’ zou impliceren, daarmee nog geen ‘leiding’ wordt gegeven. Door [appellant] zijn geen andere concrete feiten gesteld die er op zouden kunnen duiden dat sprake was van ‘leiding en toezicht’ althans van ‘leiding’ van zijn kant. Het in dit verband door [appellant] gebezigde woord ‘aanwijzingen’ is te vaag, in aanmerking ook nemende dat [appellant] – die Engels noch Nederlands spreekt – niet eens concreet heeft gesteld dat hij zelf rechtstreeks inhoudelijk contact heeft gehad met MACD, hetgeen volgens Promodyne c.s. niet het geval was (zie blz. 39 MvA). Dit alles overziend moet de stelling van [appellant] dat hij ‘leiding en toezicht’ heeft uitgeoefend en daarmee ook zijn stelling, dat hij op grond van artikel 6 Aw Pro auteursrechthebbende is op het ‘Maba’-logo/beeldmerk als onvoldoende onderbouwd worden beschouwd. Het hof gaat om die reden voorbij aan deze stellingen en het daarvoor door het [appellant] gedane bewijsaanbod.