ECLI:NL:GHARN:2012:BX7318

Gerechtshof Arnhem

Datum uitspraak
9 augustus 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200.103.042
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:207 BWArt. 1:212 BW
Verwijzingen
5 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek moeder tot gerechtelijke vaststelling vaderschap wegens termijnoverschrijding

De moeder heeft bij de rechtbank verzocht om het vaderschap van de man over haar kind gerechtelijk vast te stellen. Dit verzoek werd niet-ontvankelijk verklaard omdat het niet binnen de vijfjarige termijn na de geboorte van het kind was ingediend, terwijl de moeder bekend was met de identiteit en verblijfplaats van de man, met wie zij samenwoonde.

In hoger beroep bevestigt het hof deze afwijzing voor het verzoek van de moeder op grond van artikel 1:207 lid 3 BW Pro. Het hof oordeelt echter dat het kind zelf niet aan een termijn is gebonden voor het indienen van een verzoek tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap. Het hof stelt dat gerechtelijke vaststelling ook mogelijk is na erkenning, mits het kind daarbij belang heeft.

Het belang van het kind wordt in dit geval gezien in erfrechtelijke zin, aangezien het kind anders niet kan delen in de nalatenschap van zijn overleden halfbroer. Het hof besluit de behandeling voort te zetten om ook andere erfgenamen te horen en stelt de bijzonder curator in de gelegenheid om gegevens van deze erfgenamen te overleggen. De beslissing over het verzoek van het kind wordt aangehouden.

Uitkomst: Het verzoek van de moeder tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap wordt afgewezen wegens overschrijding van de wettelijke termijn.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM
Sector civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.103.042
(zaaknummer rechtbank 124423)
beschikking van de familiekamer van 9 augustus 2012
inzake
[appellant],
wonende te [woonplaats],
verzoekster in hoger beroep, verder te noemen “de moeder”,
advocaat: mr. J.F. Sabaroedin te Enschede,
en
mr. B.A.M. Oude Breuil,
kantoorhoudende te Enschede,
in de hoedanigheid van bijzonder curator van de minderjarige [A],
verder te noemen “de bijzonder curator”.
Als overige belanghebbende is aangemerkt:
[belanghebbende],
wonende te [woonplaats],
verder te noemen “de man”.
1. Het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Almelo van 30 november 2011, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.
2. Het geding in hoger beroep
2.1 Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 29 februari 2012, zijn de moeder en [A] in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking. Zij verzoeken het hof die beschikking te vernietigen en alsnog vast te stellen dat de man, geboren te [woonplaats en geboortedatum], de vader is van [A] (verder te noemen “[A]”), zonodig met het benoemen van een bijzonder curator ex artikel 1:212 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW).
2.2 [A] heeft bij brief, ingekomen ter griffie van dit hof op 9 mei 2012, zijn mening kenbaar gemaakt met betrekking tot het verzoek.
2.3 De mondelinge behandeling heeft op 21 juni 2012 plaatsgevonden. De moeder is in persoon verschenen, bijgestaan door haar advocaat. Tevens zijn [A], de bijzonder curator en de man verschenen.
3. De vaststaande feiten
3.1 Uit de moeder is op [geboortedatum] 1998 [A] geboren. De man heeft [A] op [datum] 2010 erkend.
3.2 Bij verzoekschrift, ingekomen bij de rechtbank in Almelo op 4 november 2011, heeft de moeder verzocht het vaderschap van [A] van de man vast te stellen, met benoeming van een bijzonder curator ex artikel 1:212 BW Pro.
3.3 Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank de moeder als wettelijk vertegenwoordigster van [A] niet-ontvankelijk verklaard in het verzoek.
3.4 Bij beschikking van dit hof van 12 juni 2012 is mr. Oude Breuil tot bijzonder curator over [A] benoemd.
4. De motivering van de beslissing
4.1 Nu de moeder haar verzoek tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap niet binnen de voor haar ingevolge artikel 1:207 lid 3 BW Pro geldende termijn van vijf jaren na de geboorte van [A] heeft ingediend, terwijl de moeder bekend was met de identiteit en de verblijfplaats van de man (de moeder en de man woonden immers destijds samen), dient het verzoek van de moeder reeds hierom te worden afgewezen. Nu het kind niet aan een termijn voor het indienen van een verzoek tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap is gebonden, zal het hof het verzoek van [A] tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap beoordelen.
4.2 Anders dan de rechtbank is het hof, evenals in zijn beschikking van 14 juni 2005, LJN AT 7508, van oordeel dat, indien een kind erkend is, die erkenning door een vader van zijn kind aan een later verzoek tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap van dezelfde man op zichzelf niet in de weg behoeft te staan. Weliswaar houdt de tekst van artikel 1:207 lid Pro 2, aanhef en sub a BW in dat gerechtelijke vaststelling niet kan geschieden, indien het kind twee ouders heeft, maar de strekking van deze bepaling is dat moet worden voorkomen dat een kind tot meer dan twee personen in familierechtelijke betrekking komt te staan. Daarvan is in dit geval geen sprake. Ook uit de wetsgeschiedenis kan niet worden afgeleid dat een gerechtelijke vaststelling in situaties als de onderhavige niet mogelijk zou zijn. Volgens de Memorie van Toelichting (TK 1995-1996, 24 649, nr. 3) moet een gerechtelijke vaststelling worden gezien “als een laatste mogelijkheid om tussen ouder en kind een afstammingsband te doen ontstaan”. Uit het verband waarin die passage voorkomt, volgt echter dat de wetgever daarmee slechts het oog heeft gehad op vestiging van een andere mogelijkheid tot het doen ontstaan van een familierechtelijke rechtsbetrekking tussen het kind en een ouder "...indien de bereidheid van de verwekker zelf daartoe niet bestaat dan wel wellicht wel bestaan heeft, maar tijdens zijn leven niet geleid heeft tot erkenning." Daaruit valt af te leiden dat de wetgever heeft beoogd om met de gerechtelijke vaststelling een extra mogelijkheid in het leven te roepen voor het doen ontstaan van een afstammingsband, maar niet om de gevallen waarin gerechtelijke erkenning zou kunnen plaatsvinden in te perken.
4.3 Hoewel het hof gerechtelijke vaststelling van het vaderschap ook na erkenning in beginsel mogelijk acht, dient hiertoe alleen te worden overgegaan indien [A] daarbij belang heeft. Het belang van [A] is, aldus de bijzonder curator ter mondelinge behandeling bij dit hof, erfrechtelijk van aard. Op 25 mei 2010 is de halfbroer van [A], [B] (verder te noemen “[B]”), door een arbeidsongeval overleden. Erfgenamen van de nalatenschap van [B] zijn, zo is ter mondelinge behandeling bij dit hof gebleken, de man en drie halfzussen van [B]. De man heeft van de werkgever van [B] een bedrag van
€ 5.000,- ontvangen ter bestrijding van de begrafeniskosten. Naar verwachting zullen, zo heeft de man ter mondelinge behandeling bij dit hof toegelicht, de erfgenamen nog een bedrag van in totaal circa € 50.000,- ontvangen uit de nalatenschap van [B]. De enige manier waarop [A] in deze nalatenschap kan delen is door gerechtelijke vaststelling van het vaderschap, nu dit, in tegenstelling tot erkenning, terugwerkt tot de geboorte van [A].
4.4 Voorshands is het hof van oordeel dat [A] belang heeft bij een gerechtelijke vaststelling van het vaderschap, nu dit erfrechtelijk gevolgen voor hem heeft. Nu evenwel ter mondelinge behandeling bij dit hof is gebleken dat naast de man nog drie halfzussen van [B] erfgenamen zijn, dient het hof, alvorens te beslissen, ook deze belanghebbenden te horen. Het hof zal de bijzonder curator in de gelegenheid stellen binnen vier weken na heden de namen en adresgegevens van de erfgenamen van [B] over te leggen, alsmede aan te geven voor welk deel iedere erfgenaam tot de erfenis van [B] is gerechtigd. Het hof zal na ontvangst van deze bescheiden partijen oproepen voor een voortgezette mondelinge behandeling bij dit hof.
5. De beslissing
Het hof, beschikkende in hoger beroep:
wijst het verzoek van de moeder af;
alvorens verder te beslissen op het verzoek van [A]:
stelt de bijzonder curator in de gelegenheid binnen vier weken na heden de namen en adresgegevens van de erfgenamen van [B] over te leggen, alsmede aan te geven voor welk deel iedere erfgenaam tot de erfenis van [B] is gerechtigd;
houdt verder iedere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mrs.C.J. Laurentius-Kooter, M.H.H.A. Moes en A.J.H. Blaisse-Ozinga, bijgestaan door mr. J.M. van Gastel-Goudswaard als griffier, en is op 9 augustus 2012 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.