ECLI:NL:GHARN:2012:BV3732

Gerechtshof Arnhem

Datum uitspraak
5 januari 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
AVNR 1098-11
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Raadkamer
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 Wegenverkeerswet 1994Art. 164 Wegenverkeerswet 1994Art. 89 Wetboek van Strafvordering
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak rijden onder invloed en afwijzing vergoeding gederfde inkomsten rijbewijs

De verdachte is door de rechtbank vrijgesproken van overtreding van artikel 8, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994, wat betekent dat er geen straf of maatregel is opgelegd. Desondanks had de verdachte zijn rijbewijs moeten inleveren vanwege verdenking van rijden onder invloed. Hij verzocht op grond van artikel 164, negende lid, Wegenverkeerswet 1994 om een vergoeding voor gederfde inkomsten gedurende de periode dat zijn rijbewijs was ingevorderd.

De rechtbank wees dit verzoek af omdat de invordering niet onterecht was: de verdachte had na het gebruik van GHB en andere stoffen toch een auto bestuurd, wat zijn eigen lichtvaardige gedrag was. Het hof bevestigde deze beslissing in hoger beroep. Het hof oordeelde dat geen gronden van billijkheid aanwezig zijn om vergoeding toe te kennen, omdat de verdachte zelf de situatie had veroorzaakt en niet alle mogelijkheden had benut om zijn werkzaamheden anders te verrichten.

Het hof nam mee dat de verdenking van rijden onder invloed terecht was, mede gebaseerd op meldingen van asociaal rijgedrag en uiterlijke kenmerken van drugsgebruik. Hoewel de verdachte verklaarde GHB pas na aanhouding te hebben gebruikt, blijft zijn gedrag de oorzaak van de invordering. Daarom werd het verzoek tot vergoeding afgewezen en de beschikking van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken van rijden onder invloed en het verzoek tot vergoeding van gederfde inkomsten wegens invordering rijbewijs is afgewezen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM
Pkn: 06-106951-10
Avnr: 1098-11
Het gerechtshof Arnhem heeft te beslissen op het hoger beroep ingesteld door
[naam verzoeker],
geboren te [geboorteplaats], op [geboortedatum],
wonende te [adres],
domicilie kiezende te [adres kantoor], ten kantore van zijn raadsman,
hierna te noemen appellant,
Het hoger beroep is ingesteld tegen de beschikking van de rechtbank te Zutphen van 30 juni 2011 houdende de beslissing op een verzoek ex artikel 164, negende lid, van de Wegenverkeerswet 1994 juncto artikel 89 van Pro het Wetboek van Strafvordering.
Het hof heeft gehoord in openbare raadkamer van 1 december 2011 de advocaat-generaal, appellant en diens raadsman mr. [naam raadsman], advocaat te [plaatsnaam].
Het hof heeft kennis genomen van:
- het verzoekschrift van appellant, ingediend op 4 mei 2011 ter griffie van de rechtbank te Zutphen, door mr. [naam raadsman] voornoemd;
- het proces-verbaal van de behandeling van het verzoek door de rechtbank op 30 juni 2011;
- voormelde beschikking van de rechtbank;
- de akte van 30 juni 2011 opgemaakt door de griffier van de rechtbank te Zutphen, waarbij namens appellant hoger beroep werd ingesteld tegen voormelde beschikking;
- de overige zich in het dossier bevindende stukken.
OVERWEGINGEN
1. Bij in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de rechtbank te Zutphen van 7 februari 2011 is appellant vrijgesproken van overtreding van artikel 8, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994. Derhalve is de zaak geëindigd zonder oplegging van een straf of maatregel .
2. Het inleidende verzoekschrift strekt onder andere tot toekenning van een vergoeding wegens gederfde inkomsten ten bedrage van € 3.332,= gedurende de tijd dat zijn rijbewijs ingevorderd en ingehouden is geweest. Op de overige verzoeken heeft de rechtbank bij separate beschikking beslist.
3. Bij de beschikking waarvan beroep heeft de rechtbank het verzoek tot schadevergoeding ter zake van gederfde inkomsten gedurende de tijd dat het rijbewijs van appellant is ingevorderd en ingehouden geweest, ongegrond verklaard, omdat appellant weliswaar uiteindelijk is vrijgesproken maar dat dit niet betekent dat de invordering van het rijbewijs destijds onterecht is geweest. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat is vastgesteld dat appellant zelf na inname van een flinke hoeveelheid GHB en andere stoffen een auto is gaan besturen terwijl als bekend mag worden verondersteld dat inname van deze middelen de rijvaardigheid negatief kan beïnvloeden. Daarom heeft appellant het aan zijn eigen lichtvaardige en onachtzame gedrag te wijten dat zijn rijbewijs is ingevorderd. De rechtbank acht om die reden geen gronden van billijkheid aanwezig om een vergoeding toe te kennen.
4. Appellant heeft als grief tegen de beschikking waarvan beroep aangevoerd dat de rechter in eerste aanleg heeft miskend dat niet bewezen kon worden dat appellant ook daadwerkelijk onder invloed van die stof heeft gereden en dat de rechtbank derhalve ten onrechte geen vergoeding heeft toegekend.
5. De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot bevestiging van de beschikking waarvan beroep. De advocaat-generaal heeft zich daarbij primair op het standpunt gesteld dat appellant door te handelen, zoals hij heeft gedaan, zichzelf in de problemen heeft gebracht. Subsidiair heeft de advocaat-generaal geconcludeerd dat er ook overigens geen gronden van billijkheid aanwezig zijn om aan appellant een vergoeding toe te kennen omdat hij kennelijk niet alle mogelijkheden heeft onderzocht om een andere manier van vervoer te vinden om zijn werkzaamheden te verrichten.
6. Op grond van het bepaalde in artikel 164, negende lid, van het Wetboek van de Wegenverkeerswet 1994 kan de rechter aan de gewezen verdachte, in het geval de zaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel of met zodanige oplegging, doch op grond van een feit waarvoor toepassing van het eerste of vierde lid (overgifte rijbewijs respectievelijk inhouden rijbewijs) niet is toegelaten, en de rechter daarvoor – alle omstandigheden in aanmerking genomen – gronden van billijkheid aanwezig acht, een vergoeding toekennen voor schade die hij heeft geleden ten gevolge van de invordering en inhouding van zijn rijbewijs.
7. Het hof acht geen gronden van billijkheid aanwezig voor toekenning van de gevraagde vergoeding. Het rijbewijs van appellant is - kort samengevat - op 24 mei 2010 ingevorderd en vervolgens ingehouden nadat hij was aangehouden op verdenking van het rijden onder invloed. Ten tijde van de overtreding heeft een getuige melding gemaakt van zeer asociaal en verkeersgevaarlijk rijgedrag door een bestuurder die later appellant bleek te zijn. Het gedrag van appellant en de uiterlijke kenmerken van het gedrag van appellant die duidden op het gebruik van drugs, hebben geleid tot de aanhouding van appellant op verdenking van het rijden onder invloed. Appellant heeft aanvankelijk verklaard dat hij weinig had gegeten die dag en een aantal medicijnen had ingenomen. Bij appellant is die dag tevens GHB aangetroffen. Appellant heeft later verklaard dat hij ook GHB had ingenomen maar dat hij dat heeft gedaan nadat hij was aangehouden door de politie. Bij de behandeling van het verzoekschrift in hoger beroep heeft appellant herhaald dat hij GHB pas heeft gebruikt tussen zijn aanhouding en de binnenkomst in het politiebureau. Wat daar ook van zij, met de rechtbank en de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat appellant het aan zichzelf heeft te wijten dat op hem de verdenking wegens rijden onder invloed is komen te rusten en hij heeft daarmee de invordering en inhouding van het rijbewijs over zichzelf afgeroepen. Het verzoek zal daarom worden afgewezen.
BESCHIKKENDE
Het hof:
- bevestigt de beschikking waarvan beroep.
Deze beschikking is gegeven te Arnhem door mrs. E.A.K.G. Ruys, voorzitter, J.H.C. van Ginhoven en W.R. Rosingh, raadsheren, in tegenwoordigheid van T.M.M. van Lieshout-Witjes, griffier, ondertekend door de voorzitter en de griffier en uitgesproken ter openbare zitting van 5 januari 2012.