19. Bij het antwoord op de vraag of Ieder1 de huurovereenkomst terecht heeft ontbonden, zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang:
a. [appellant] heeft derden gedurende ruim een half jaar in de gelegenheid gesteld om in c.q. vanuit zijn woning harddrugs te dealen;
b. In de woning van [appellant] zijn bij een doorzoeking op 6 april 2011 harddrugs en een stroomstootwapen aangetroffen. Het hof laat in het midden of de hoeveelheid aangetroffen harddrugs meer is dan een “gebruikershoeveelheid”, zoals Ieder1 stelt, maar [appellant] betwist;
c. [appellant] heeft niet betwist dat hij harddrugs gebruikt;
d. [appellant] heeft evenmin betwist dat hij gedurende langere tijd aan vier harddrugsgebruikers onderdak heeft geboden en dat deze personen in en rond zijn woning harddrugs gebruikten;
e. Ter zitting bij de kantonrechter is gebleken dat [appellant] meent dat het hem vrijstaat in zijn woning voor deze personen en voor andere bezoekers feesten te geven, dat [appellant] zich dan terugtrok in zijn slaapkamer en daardoor geen zicht had op wat zich in de rest van de woning afspeelde;
f. Partijen hebben op 1 maart 2011 (in elk geval) afgesproken dat [appellant] geen inwoning aan derden zou geven en er voor zal zorgen dat geen overlast wordt veroorzaakt in, vanuit of rondom de door hem gehuurde woning. Uit wat hiervoor is overwogen, volgt dat [appellant] deze afspraken niet is nagekomen;
g. Ieder1 is een toegelaten instelling in de zin van de Woningwet. Op haar rust onder meer de verplichting bij te dragen aan de leefbaarheid van buurten en wijken waar haar woningen zijn gelegen. Het hof is, met de kantonrechter, van oordeel dat de leefbaarheid van een wijk in het geding is wanneer sprake is van de handel in harddrugs, gelet op de daarmee doorgaans gepaard gaande overlast. Met de kantonrechter meent het hof dat Ieder1 dan ook in beginsel gehouden is om zoveel mogelijk medewerking te verlenen aan het (bestuurlijk) optreden tegen deze handel;
h. De woning van [appellant] ligt in de onmiddellijke omgeving van een basisschool. Namens de basisschool is ook geklaagd over overlast vanuit het door [appellant] gehuurde pand. In een door Ieder1 overgelegde schriftelijke klacht van het schoolbestuur is onder meer het volgende vermeld:
“(…)
De laatste tijd is er steeds meer overlast van mensen die komen van / in relatie staan met het pand [adres]. Met name ’s avonds staan ze op het plein of in het portiek van het [B] te blowen en te handelen.
Collega’s voelen zich ’s avonds onveilig op school. Met de schoonmaakster van het [B] heb ik de afspraak gemaakt om ’s ochtends te komen schoonmaken, omdat ze er ’s avonds niet naar binnen durft ivm met de personen die er dan rondhangen. De andere schoonmaakster wil er al helemaal niet meer schoonmaken omdat ze zich onveilig voelt. We vinden ook steeds meer rommel op het plein, waaronder veel wietzakjes en condooms. (…)”
In het licht van het strafvonnis en de bestuurlijke rapportage acht het hof voldoende aannemelijk dat de in de klacht vermelde overlast samenhangt met de aan drugs gerelateerde activiteiten in de woning van [appellant]. Het hof volgt [appellant] dan ook niet in zijn betoog dat de klacht onvoldoende concreet is. Wat het hof onder g. heeft overwogen over de verantwoordelijkheid van Ieder1 voor de leefbaarheid van de buurt, geldt wel in het bijzonder voor de onmiddellijke omgeving van een basisschool;
i. Het is voorshands voldoende aannemelijk dat de verhuurbaarheid van woningen in de omgeving in relevante mate wordt aangetast door de aanwezigheid van een “drugspand”;
j. [appellant] heeft de woning tot april 2011 2,5 jaar gehuurd. Van deze periode kan in elk geval ten aanzien van een half jaar worden vastgesteld dat in de woning is gedeald.