ECLI:NL:GHARN:2011:BT8872
Gerechtshof Arnhem
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vrijval herinvesteringsreserve in vennootschapsbelasting na ontvoeging dochtervennootschap
Belanghebbende, moedermaatschappij van een fiscale eenheid, had een herinvesteringsreserve (HIR) gevormd na verkoop van een kantoorpand door haar dochtervennootschap B Vastgoed B.V. in 2006. De aandelen van B BV werden in 2007 verkocht en B BV werd ontvoegd uit de fiscale eenheid. De Inspecteur liet de HIR vrijvallen in de belastbare winst van belanghebbende, omdat het herinvesteringsvoornemen op het ontvoegingstijdstip niet meer bestond.
Belanghebbende voerde aan dat het herinvesteringsvoornemen onverkort bestond tot het einde van het boekjaar en dat toetsing op het ontvoegingstijdstip niet mogelijk was. Het Hof oordeelde dat het herinvesteringsvoornemen objectief moest worden beoordeeld en dat uit notulen van de algemene vergadering van aandeelhouders bleek dat begin 2007 was besloten af te zien van het herinvesteringsvoornemen, vóór het ontvoegingstijdstip.
Verder stelde het Hof vast dat het lopende boekjaar van B BV op het ontvoegingstijdstip wordt afgesloten en dat de HIR op dat moment moet worden getoetst. Gelet op het vervallen van het herinvesteringsvoornemen vóór ontvoeging was de vrijval van de HIR in de winst terecht. Het hoger beroep van belanghebbende werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het Gerechtshof bevestigt dat de herinvesteringsreserve terecht is vrijgevallen in de belastbare winst van belanghebbende na ontvoeging van B Vastgoed B.V.