ECLI:NL:GHARN:2011:BT2928

Gerechtshof Arnhem

Datum uitspraak
22 september 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200.064.888/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:212 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming tot erkenning van het kind na DNA-onderzoek bevestigd

In deze zaak stond centraal of de man als biologische vader van het minderjarige kind erkend kon worden, nadat DNA-onderzoek dit met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid had vastgesteld.

De vrouw maakte bezwaar tegen erkenning vanwege onrust- en angstgevoelens jegens de man, die mogelijk nadelige gevolgen voor het kind zouden kunnen hebben. Het hof oordeelde echter dat deze argumenten onvoldoende waren om erkenning te weigeren, mede omdat het belang van de man en het kind bij erkenning zwaarder woog.

De bijzondere curator, belast met de belangen van het kind, werd als deskundig beoordeeld en ondersteunde de erkenning. Verzoeken van de vrouw voor aanvullend onderzoek werden afgewezen wegens gebrek aan concrete aanwijzingen en mogelijke vertraging.

De vrouw werd veroordeeld in de kosten van het deskundigenbericht. Het hof bekrachtigde de eerdere beschikking van de rechtbank en verleende de man vervangende toestemming tot erkenning van het kind.

Uitkomst: Het hof verleent vervangende toestemming tot erkenning van het kind door de man en veroordeelt de vrouw in de kosten van het deskundigenbericht.

Uitspraak

Beschikking d.d. 22 september 2011
Zaaknummer 200.064.888
HET GERECHTSHOF ARNHEM
Nevenzittingsplaats Leeuwarden
Beschikking in de zaak van
[appellante],
wonende te [woonplaats],
appellante,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat mr. D. van Riessen, kantoorhoudende te Almere,
tegen
[geïntimeerde],
wonende te [woonplaats],
geïntimeerde,
hierna te noemen: de man,
advocaat mr. H. Gase, kantoorhoudende te Almere.
Belanghebbende:
mr. J.A. Wesdorp,
kantoorhoudendende te Almere,
hierna te noemen: de bijzondere curator.
De inhoud van de tussenbeschikking van 13 januari 2011 wordt hier overgenomen.
Het verdere procesverloop
Na voormelde tussenbeschikking is op de griffie van het hof binnengekomen een brief van 8 april 2011 van mr. Van Riessen, een rapport van 11 april 2011 met bijlagen van Sanquin Diagnostiek en een brief van 3 juni 2011 met bijlage van mr. Gase. Voorts heeft het hof kennis genomen van de reacties van beide advocaten naar aanleiding van de uitkomst van het DNA-onderzoek, te weten een brief van 4 juli 2011 van mr. Gase en een brief van 12 juli 2011 van mr. Van Riessen.
Een nadere mondelinge behandeling heeft niet plaatsgevonden.
De beoordeling
1. Zoals in de tussenbeschikking is overwogen is de zaak aangehouden om duidelijkheid te krijgen over de vraag of de man de verwekker van [kind] is.
Uit het deskundigenrapport van Sanquin Diagnostiek, afdeling Vaderschapsonderzoek, te Amsterdam, blijkt dat bij de man, de vrouw en [kind] DNA-onderzoek is gedaan. Het rapport bevat de conclusie dat de man met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid de biologische vader is van [kind]. Het hof neemt deze conclusie over en de daaraan ten grondslag liggende bevindingen en maakt deze tot de zijne. Het hof merkt de man daarom als de verwekker van [kind] aan.
2. Nu door middel van het DNA-onderzoek vast is komen te staan dat de man de verwekker is van [kind], is de vraag aan de orde of aan de man vervangende toestemming voor erkenning van [kind] dient te worden verleend.
3. Het hof overweegt als volgt. De wetgever heeft met het scheppen van de wettelijke mogelijkheid van vervangende toestemming beoogd bij afstamming aansluiting te zoeken bij de biologische werkelijkheid. Uitgangspunt is daarom dat zowel het kind als de verwekker aanspraak kunnen maken op erkenning in rechte van hun relatie als een familierechtelijke betrekking. Van schade aan de belangen van het kind is slechts sprake indien ten gevolge van de erkenning er voor het kind reële risico's zijn dat het wordt belemmerd in een evenwichtig sociaal-psychologische en emotionele ontwikkeling.
4. Weliswaar is in de onderhavige zaak gebleken dat de vrouw onrust- en angstgevoelens ervaart ten opzichte van de man -hetgeen zijn weerslag op het kind kan hebben-, echter de argumenten van de vrouw zijn onvoldoende om te concluderen dat de eerdergenoemde reële risico's zich voordoen en dat deze in de weg staan aan erkenning van het kind door de man. Met de rechtbank is het hof daarom van oordeel dat het belang en de aanspraak van de man op erkenning in de onderhavige zaak zwaarder dient te wegen dan de belangen van de moeder en het kind bij niet-erkenning.
5. Het hof ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de deskundigheid van de in deze zaak benoemde bijzondere curator, daarbij mede gelet op de toelichting die de bijzondere curator heeft gegeven over de door de vrouw in haar appelschrift gestelde feiten. Daarnaast heeft de vrouw haar klachten niet nader onderbouwd, dan wel tijdig actie ondernomen. Artikel 1:212 BW Pro schrijft voor dat het minderjarige kind in zaken van afstamming vertegenwoordigd wordt door een bijzondere curator daartoe benoemd door de rechtbank die over de zaak beslist. Het is de taak van de bijzondere curator om de belangen van het betreffende kind te behartigen, hetgeen kan leiden tot een voor één van partijen ongewenst advies.
6. Het hof is voorts van oordeel dat de man zijn belang en aanspraak op erkenning wel degelijk heeft onderbouwd door aan te geven dat hij een familierechtelijke betrekking met de minderjarige wenst en dat hij het in het belang van de minderjarige acht dat zij haar vader leert kennen. Voorts heeft de man aan de bijzondere curator onder meer te kennen gegeven dat hij het belangrijk vindt dat [kind] later weet wie haar vader is, omdat zijn eigen vader voor hem onbekend is gebleven. De bijzondere curator heeft geen oneigenlijke gronden bij de man aanwezig geacht. De grief van de vrouw dat de man niet heeft voldaan aan zijn stelplicht (terwijl zij stelt haar belang wel te hebben onderbouwd) en dat de erkenning voor de man slechts een middel is om het doel van omgang en het gezamenlijk gezag te verkrijgen, kan derhalve niet slagen.
7. Het verzoek van de vrouw om een raadsonderzoek of een psychologisch onderzoek te gelasten zal het hof afwijzen. Het hof acht zich voldoende voorgelicht om een beslissing te kunnen nemen. Bovendien werkt een dergelijk onderzoek vertragend en zijn er geen concrete aanwijzingen dat een dergelijk onderzoek noodzakelijk is in het belang van het kind.
8. Samenvattend is het hof, evenals de bijzondere curator en de rechtbank, van oordeel dat, voor zover er bedreigingen en/of mishandelingen van de zijde van de man zouden zijn geweest -hetgeen door de man wordt betwist-, niet is gebleken dat de erkenning de ongestoorde verhouding tussen de moeder en het kind zal schaden, dan wel reële risico's voor het kind meebrengt. Ook het feit dat de vrouw heeft gesteld altijd alleen voor [kind] te hebben gezorgd, maakt dit niet anders. Voorgaande betekent dat het hof de beslissing van de rechtbank in stand zal laten.
De kosten van het deskundigenonderzoek
9. De vrouw heeft ongelijk gekregen voor wat betreft haar stelling over het vaderschap van [kind]. Zij wordt daarom, zoals ter zitting door de man is verzocht, veroordeeld in de kosten van het deskundigenbericht.
Slotsom
10. Op grond van het vorenstaande zal het hof beslissen als na te melden.
De beslissing
Het gerechtshof:
bekrachtigt de beschikking waarvan beroep;
veroordeelt de vrouw in de kosten van het deskundigenbericht van € 1.150,-, zoals in deze procedure gemaakt en reeds bij voorschot door de vrouw zijn voldaan.
Deze beschikking is gegeven door mrs. B.J.J. Melssen, voorzitter, G.M. van der Meer en M.P. den Hollander, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 22 september 2011 in bijzijn van de griffier.