ECLI:NL:GHARN:2011:BR5306
Gerechtshof Arnhem
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek vergoeding kosten rechtsbijstand na vrijspraak
Verzoekster en zes medeverdachten werden in eerste aanleg bijgestaan door dezelfde raadsman. Verzoekster werd vrijgesproken, terwijl medeverdachte Van P. in hoger beroep werd veroordeeld. Verzoekster diende een verzoek in tot vergoeding van haar kosten voor rechtsbijstand op grond van artikel 591a Wetboek van Strafvordering.
Het hof onderzocht of de kosten van rechtsbijstand daadwerkelijk ten laste van verzoekster kwamen, aangezien de declaraties aan medeverdachte Van P. of diens vennootschappen waren gericht en betaald. Er was geen schriftelijke overeenkomst waaruit bleek dat Van P. de kosten voor verzoekster had voorgeschoten.
Het hof concludeerde dat verzoekster geen kosten had gemaakt in de zin van artikel 591a WvSv en wees het verzoek af. Wel werd een forfaitaire vergoeding toegekend voor de kosten verbonden aan het indienen en behandelen van het verzoekschrift.
De zaak eindigde zonder strafoplegging voor verzoekster en zonder toepassing van artikel 9a Wetboek van Strafrecht. Het hof nam alle omstandigheden in aanmerking en vond geen billijkheidsgrond voor verdere vergoeding.
Uitkomst: Het verzoek tot vergoeding van kosten rechtsbijstand is afgewezen omdat niet is vastgesteld dat deze kosten ten laste van verzoekster kwamen.