ECLI:NL:GHARN:2011:BR1326
Gerechtshof Arnhem
- Hoger beroep
- W.L. Valk
- G.P.M. van den Dungen
- H.L. van der Beek
- J.A. Jansens van Gellicum
- H.K.C. Roelofsen
- Rechtspraak.nl
Vaststelling geldigheid en voorwaarden van eenmalige en reguliere pachtovereenkomsten
In deze civiele zaak heeft het Gerechtshof Arnhem het geschil tussen verpachter en pachters behandeld over de aard en geldigheid van pachtovereenkomsten met betrekking tot landbouwpercelen. Het hof oordeelde dat het ontbreken van een kadastrale kaart bij de oorspronkelijke indiening van een eenmalige pachtovereenkomst niet de geldigheid daarvan in de weg staat, mede gelet op het beginsel van artikel 3:58 BW Pro dat geldigheidsvereisten ook na het verrichten van de rechtshandeling kunnen worden vervuld.
Het hof stelde vast dat de overeenkomst voldeed aan de eisen van artikel 70f lid 5 en 7 van de Pachtwet, ook al ontbrak aanvankelijk een kadastrale kaart en werd de oppervlakte per kadastrale aanduiding niet apart vermeld. De redelijke uitleg van het voorschrift leidde tot de conclusie dat dit niet noodzakelijk was indien het gepachte slechts één kadastrale aanduiding had en deze samen met de oppervlakte in de overeenkomst was vermeld.
Vervolgens legde het hof reguliere pachtovereenkomsten vast met ingang van 7 juni 1996 en 8 juni 2002 voor de betrokken percelen, waarbij de pachtprijs en overige voorwaarden zoveel mogelijk werden gelijkgesteld aan de voorafgaande eenmalige pachtovereenkomst. Het hof vernietigde het eerdere vonnis van de rechtbank en wees de proceskosten toe aan de verpachter, met gedeeltelijke compensatie in incidenteel beroep.
De uitspraak bevestigt het belang van een redelijke uitleg van wettelijke voorschriften en het beginsel dat geldigheidsvereisten achteraf kunnen worden vervuld, waardoor de rechtszekerheid van pachtovereenkomsten wordt gewaarborgd.
Uitkomst: Het hof bevestigt de geldigheid van de eenmalige pachtovereenkomst en legt reguliere pachtovereenkomsten vast met ingangsdata 7 juni 1996 en 8 juni 2002.