ECLI:NL:GHARN:2011:BQ0224

Gerechtshof Arnhem

Datum uitspraak
31 maart 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
24-001986-10
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 361 SvArt. 9a Sr
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs poging tot zware mishandeling met heet vet

Het gerechtshof Arnhem heeft op 31 maart 2011 het vonnis van de rechtbank Zwolle-Lelystad vernietigd en verdachte vrijgesproken van de primair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling en subsidiair ten laste gelegde mishandeling. De verdachte werd ervan beschuldigd op 2 juli 2009 in een TBS-kliniek heet vet uit een koekenpan op de arm van een begeleidster te hebben gegooid, wat zou hebben geleid tot zwaar lichamelijk letsel.

De rechtbank had verdachte eerder vrijgesproken, maar de officier van justitie was in hoger beroep gegaan en vorderde alsnog een veroordeling zonder strafoplegging. Het hof oordeelde dat de verklaring van de aangeefster onvoldoende werd ondersteund door andere bewijsmiddelen, waardoor het ten laste gelegde niet wettig en overtuigend kon worden bewezen.

Daarnaast werd de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding afgewezen en werd zij niet-ontvankelijk verklaard omdat aan verdachte geen straf of maatregel werd opgelegd. Het hof veroordeelde de benadeelde partij tevens in de proceskosten, die tot aan deze uitspraak nihil waren begroot.

De raadsman van verdachte was aanwezig bij de terechtzitting in hoger beroep, terwijl verdachte zelf niet verscheen. Het arrest werd gewezen door mr. P. Koolschijn, mr. J. Hielkema en mr. P. Greve.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs van poging tot zware mishandeling en mishandeling.

Uitspraak

Parketnummer: 24-001896-10
Parketnummer eerste aanleg: 07-480405-09
Arrest van 31 maart 2011 van het gerechtshof te Arnhem, nevenzittingsplaats Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 3 augustus 2010 in de strafzaak tegen:
[verdachte],
geboren op [1955] te [geboorteplaats],
thans uit anderen hoofde verblijvende in FPC Veldzicht te Balkbrug,
niet ter terechtzitting verschenen. Wel verschenen is de raadsman van verdachte
mr. J.M. van Dam, advocaat te Den Haag.
Het vonnis waarvan beroep
De rechtbank Zwolle-Lelystad heeft de verdachte bij het vonnis vrijgesproken van het ten laste gelegde.
Gebruik van het rechtsmiddel
De officier van justitie is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen. Hij heeft dit hoger beroep aan verdachte doen betekenen.
Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep
De raadsman van verdachte heeft verklaard uitdrukkelijk te zijn gemachtigd verdachte ter terechtzitting te verdedigen.
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
De vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte ter zake van het subsidiair ten laste gelegde zal veroordelen, zonder over te gaan tot oplegging van een straf of maatregel. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de vordering van de benadeelde partij zal toewijzen tot een bedrag van € 1000,- en dat het hof de vordering voor het overige niet-ontvankelijk zal verklaren.
De beslissing op het hoger beroep
Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd, dat:
zij op of omstreeks 02 juli 2009 te [plaats], in de gemeente [gemeente], ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [benadeelde] (begeleidster TBS-kliniek), opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [benadeelde] met heet vet uit een (koeken)pan op/tegen een/de arm heeft gegooid, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
zij op of omstreeks 02 juli 2009 te [plaats], in de gemeente [gemeente], opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [benadeelde], begeleidster TBS-kliniek), heet vet uit een (koeken)pan op/tegen een/de arm heeft gegooid, tengevolge waarvan deze zwaar lichamelijk letsel (eerste graads brandwond), althans enig lichamelijk letsel, heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.
Vrijspraak
Het hof is - met de rechtbank - van oordeel dat de verklaring van aangeefster op essentiële onderdelen onvoldoende wordt ondersteund door andere bewijsmiddelen. Gelet daarop kan hetgeen primair en subsidiair aan verdachte is ten laste gelegd niet wettig en overtuigend worden bewezen, zodat verdachte daarvan moet worden vrijgesproken.
Benadeelde partij
Uit het onderzoek ter terechtzitting van het hof is gebleken, dat de benadeelde partij
[benadeelde], zich in het geding in eerste aanleg heeft gevoegd, dat haar vordering in eerste aanleg niet is toegewezen en dat zij zich binnen de grenzen van haar eerste vordering in het geding in hoger beroep opnieuw heeft gevoegd.
Nu aan de verdachte geen straf of maatregel wordt opgelegd, terwijl evenmin artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht wordt toegepast, dient de benadeelde partij, gelet op het bepaalde in artikel 361, tweede lid, aanhef en onder a, van het Wetboek van Strafvordering, in haar vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard, met veroordeling van de benadeelde partij in de kosten van het geding door de verdachte gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil.
De uitspraak
HET HOF,
RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:
vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:
verklaart het verdachte ten laste gelegde niet bewezen en spreekt haar daarvan vrij;
verklaart de benadeelde partij, [benadeelde], niet ontvankelijk in haar vordering;
veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van het geding, door verdachte gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil.
Dit arrest is aldus gewezen door mr. P. Koolschijn, voorzitter, mr. J. Hielkema en mr. P. Greve, in tegenwoordigheid van mr. H. Akkerman als griffier, zijnde mr. Koolschijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.