ECLI:NL:GHARN:2011:BP2297
Gerechtshof Arnhem
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep ongegrond wegens ontbreken bewijs cultuurgrondvrijstelling WOZ-waarde
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de WOZ-waardebeschikking van een perceel onbebouwde grond met houtopstand, gelegen aan de a-straat te Z, vastgesteld op €16.000 voor het jaar 2009. De Ambtenaar handhaafde de waarde na bezwaar en de rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep stelde belanghebbende dat de cultuurgrondvrijstelling van toepassing was op grond van artikel 220d van de Gemeentewet.
Het Hof overwoog dat voor toepassing van deze vrijstelling vereist is dat de grond primair dient om gewassen te voeden en te doen groeien. Belanghebbende slaagde er niet in aannemelijk te maken dat zij of haar pachter de grond primair voor deze functie gebruikte. De stelling dat de grond sinds 1 januari 2009 werd verpacht aan een landbouwer die eens in de zes jaar hout kapt, was onvoldoende om aan de bewijslast te voldoen.
Daarnaast faalde de subsidiaire stelling dat de wetgever belanghebbende onterecht minder gunstig zou behandelen dan eigenaren van landgoederen in de zin van de Natuurschoonwet 1928. Het Hof stelde dat de onderhavige onroerende zaak niet vergelijkbaar is met een dergelijk landgoed vanwege de strengere instandhoudingseisen.
Het Hof verklaarde het hoger beroep ongegrond en wees proceskostenveroordeling af. De uitspraak werd in het openbaar gedaan op 18 januari 2011.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard wegens het niet leveren van bewijs voor de cultuurgrondvrijstelling.