ECLI:NL:GHARN:2010:BP0666
Gerechtshof Arnhem
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bekrachtiging beëindiging schuldsaneringsregeling wegens nieuwe bovenmatige schulden
In deze zaak heeft de rechtbank Zwolle-Lelystad de schuldsaneringsregeling van appellant tussentijds beëindigd op grond van artikel 350, derde lid, aanhef en onder d en f, van de Faillissementswet. De rechtbank stelde vast dat appellant bij het aanvragen van een toeslag bij het UWV niet had opgegeven dat hij bij zijn zus inwoonde en dat hij inkomsten van zijn zus niet had vermeld. Tevens werd een bedrag van circa € 11.000,-- aan nabetaling van het UWV niet gereserveerd voor schuldeisers, en werd een terugvordering van € 21.179,13 opgelegd door het UWV.
Appellant stelde in hoger beroep dat hij een kamer huurde bij zijn zus en dat er geen sprake was van wederzijdse zorg. De zus verklaarde echter dat zij en appellant een economische eenheid vormden en zij beschikte over een bankpas van appellant, waarmee zij geld van zijn rekening haalde. Het hof achtte het aannemelijk dat appellant nieuwe bovenmatige schulden had laten ontstaan en niet te goeder trouw was geweest bij het onbetaald laten van deze schulden.
Het hof achtte de kans gering dat het beroep van appellant tegen de UWV-beschikkingen door de bestuursrechter gegrond zou worden verklaard. Gezien deze omstandigheden bevestigde het hof het vonnis van de rechtbank tot beëindiging van de schuldsaneringsregeling.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling wegens nieuwe bovenmatige schulden en het ontbreken van goed vertrouwen.