ECLI:NL:GHARN:2010:BO4249

Gerechtshof Arnhem

Datum uitspraak
9 november 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
P10/0250
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 67 Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
1 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging voortzetting maatregel plaatsing in inrichting voor stelselmatige daders wegens ongewenstverklaring

Het gerechtshof Arnhem heeft in hoger beroep geoordeeld over de voortzetting van de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (ISD) ten aanzien van betrokkene. De rechtbank Amsterdam had de voortzetting van deze maatregel op 24 juni 2010 bevolen, maar het hof vernietigt deze beslissing en beëindigt de maatregel met ingang van de uitspraakdatum.

Het hof overweegt dat de ISD-maatregel primair is bedoeld ter bescherming van de maatschappij tegen recidiverende daders. Hoewel betrokkene een langdurige verslavingsgeschiedenis heeft en begeleiding bij terugkeer in de samenleving nodig is, is voortzetting van de maatregel niet zinvol vanwege een omstandigheid buiten zijn macht: betrokkene was reeds in 2002 ongewenst verklaard en kan daardoor niet adequaat begeleid worden voor een gecontroleerde terugkeer.

De ISD-maatregel is niet bedoeld om vreemdelingenrechtelijke problemen op te lossen of het uitzettingsbeleid te ondersteunen. Door de ongewenstverklaring ontbreekt elk perspectief op een snelle invulling van de maatregel, terwijl betrokkene hier geen schuld aan draagt. Het hof volgt daarmee het verweer van de verdediging en beëindigt de maatregel.

Uitkomst: De maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders wordt beëindigd wegens de onmogelijkheid tot invulling door de ongewenstverklaring.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM
ISD P10/0250
Beslissing d.d. 9 november 2010
De kamer van het hof als bedoeld in artikel 67 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie heeft te beslissen op het beroep van
[betrokkene],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],
verblijvende in [naam inrichting].
Het beroep is ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Amsterdam van 24 juni 2010, inhoudende dat de tenuitvoerlegging van de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders wordt voortgezet.
Overwegingen:
Het hof zal de beslissing van de rechtbank dienen te vernietigen, daar het recht doet mede op grond van nieuwe stukken en daar het tot een andere beslissing komt.
Het hof dient in het kader van de onderhavige procedure te beoordelen of voortzetting van de tenuitvoerlegging van de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders noodzakelijk is. Daarbij dient gezien de wetstekst en de wetsgeschiedenis gebruik te worden gemaakt van het volgende beslissingskader.
Allereerst moet vastgesteld worden of opheffing van de maatregel zal leiden tot te verwachten onveiligheid, ernstige overlast en verloedering van het publiek domein. Daarna moet worden bezien of verdere voortzetting van de maatregel niet zinvol is door een omstandigheid die buiten de macht van betrokkene ligt.
Naar het oordeel van het hof is de beoogde strekking van de maatregel - te weten beveiliging van de maatschappij- in dit geval nog van betekenis.
Op grond van de langdurige verslavingsgeschiedenis van betrokkene en het gegeven dat betrokkene in geval van terugkeer in de samenleving nog begeleid dient te worden bij het zoeken van geschikte huisvesting en dagbesteding acht het hof een kans op terugval van betrokkene in zijn eerdere (delict-)gedrag bij eerdere beëindiging van de maatregel aanwezig. Dat betrokkene bij beëindiging van de maatregel uitgezet zou kunnen worden naar Italië maakt dit niet anders. Aan het eerste criterium voor een voortzetting van de maatregel is derhalve voldaan.
Het hof is echter van oordeel dat een verdere voortzetting van de ISD-maatregel niet zinvol is door een omstandigheid die buiten de macht van betrokkene ligt.
Ten tijde van de oplegging van de ISD-maatregel was reeds bekend dat betrokkene ongewenst was verklaard. Ondanks dat in geval van een ongewenstverklaring vast beleid van justitie is om geen inhoudelijke invulling te geven aan de maatregel is de ISD opgelegd teneinde de maatschappij tegen betrokkene, die ondanks zijn ongewenstverklaring Nederland niet definitief verliet en strafbare feiten bleef plegen, te beschermen. Het hof is van oordeel dat de ISD-maatregel niet bedoeld is om problematiek op het gebied van het vreemdelingenrecht op te lossen, dan wel een bijdrage te leveren aan het uitzettingsbeleid.
Daar komt bij dat teneinde het recidiverisico te beheersen/beperken begeleiding en een gecontroleerde en geleidelijke terugkeer van betrokkene in de samenleving van belang is. Dit is echter door de in 2002 uitgesproken ongewenstverklaring van betrokkene niet mogelijk. Hierdoor ontbreekt elk perspectief op een snelle invulling van de maatregel, terwijl dit niet aan betrokkene te wijten is.
Gelet op het voorgaande is het hof met de verdediging van oordeel dat de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders dient te worden beëindigd.
Beslissing
Het hof:
Vernietigt de beslissing van de rechtbank Amsterdam van 24 juni 2010 met betrekking tot betrokkene [de betrokkene].
Beëindigt de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders met ingang van heden.
Aldus gedaan door
mr E. van der Herberg als voorzitter,
mr G. Mintjes en mr J.D. den Hartog als raadsheren,
en drs. T. van Iersel en prof. dr. B.C.M. Raes als raden,
in tegenwoordigheid van mr N.D. Mavus-ten Elshof als griffier,
en op 9 november 2010 in het openbaar uitgesproken.
De raden zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.