ECLI:NL:GHARN:2010:BM6191
Gerechtshof Arnhem
- Hoger beroep
- G.P.M. van den Dungen
- H. Wammes
- W. Duitemeijer
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep inzake kennelijk onredelijk ontslag na reorganisatie bij Fristam B.V.
In deze zaak staat het hoger beroep centraal tegen het vonnis van de kantonrechter waarin het ontslag van [X] door Fristam B.V. niet kennelijk onredelijk werd bevonden. [X] was sinds 1981 in dienst en werd door een reorganisatie getroffen, waarbij haar functie kwam te vervallen. Fristam bood een beëindigingsregeling aan, die [X] afwees omdat zij zelfstandig wilde gaan werken.
Het hof beoordeelde of het ontslag kennelijk onredelijk was op grond van artikel 7:681 BW Pro, waarbij de omstandigheden op het moment van het ontslag (1 maart 2007) centraal stonden. Het hof nam mee dat Fristam een zwaarwegend belang had bij het ontslag vanwege de reorganisatie en dat er geen passend werk binnen de onderneming beschikbaar was.
Hoewel [X] een lange diensttijd en goede prestaties aanvoerde, ontbrak nadere onderbouwing om het ontslag kennelijk onredelijk te achten. Het hof vond dat Fristam een redelijke voorziening had getroffen, waaronder een outplacementtraject en een financiële regeling. De vrijstelling van werkzaamheden met behoud van salaris werd ook meegewogen.
Het hof wees de eiswijziging tot een hogere schadevergoeding af wegens procedurele redenen, maar kende wel de gekapitaliseerde waarde van de suppletieregeling toe. De kosten van het hoger beroep werden aan [X] opgelegd. Hiermee werd het vonnis van de kantonrechter vernietigd en deels anders beslist.
Uitkomst: Het ontslag is niet kennelijk onredelijk, maar Fristam moet € 20.544,77 betalen aan [X] als gekapitaliseerde waarde van de suppletieregeling.