ECLI:NL:GHARN:2009:BJ7354
Gerechtshof Arnhem
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vordering tot schriftelijke vastlegging en indeplaatsstelling pachtovereenkomst over weiland
In deze zaak staat centraal de vordering van appellanten tot schriftelijke vastlegging van een mondelinge pachtovereenkomst met betrekking tot een perceel weiland, alsmede de indeplaatsstelling van twee van hen als pachters. De eigendom van het perceel is na het overlijden van de oorspronkelijke eigenaar via vererving overgegaan op geïntimeerden, die het perceel vervolgens aan een derde partij hebben verkocht.
Appellanten betogen dat zij sinds circa 1978 het perceel in gebruik hebben gehad op basis van een pachtovereenkomst, terwijl geïntimeerden dit betwisten en stellen dat het gebruik hobbymatig was en de overeenkomst niet voldoet aan de wettelijke eisen. Het hof past het nieuwe pachtrecht toe, behoudens voor zover het de periode tot 1 september 2007 betreft.
Het hof oordeelt dat het gebruik van het perceel onder de definitie van pacht kan vallen, ook zonder uitdrukkelijke bedoeling van partijen om een pachtovereenkomst te sluiten. Het verweer dat het gebruik op bruikleen berustte wordt verworpen op grond van eerdere rechtspraak. Het hof beveelt nadere inlichtingen over het belang en gebruik van het perceel en stelt een comparitie van partijen in om nadere informatie te verkrijgen en een minnelijke schikking te beproeven.
De vordering tot indeplaatsstelling wordt ontvankelijk verklaard voor appellant sub 1, terwijl voor de anderen dit niet het geval is. Het standpunt dat indeplaatsstelling slechts mogelijk is bij een door de grondkamer goedgekeurde pachtovereenkomst wordt verworpen. Het hof houdt de beslissing aan en wijst op de noodzaak van aanvullende bewijslevering over de wijzigingsovereenkomst uit 1994.
Uitkomst: Het hof beveelt nadere inlichtingen en stelt een comparitie in, houdt de beslissing aan en verklaart de vordering tot indeplaatsstelling ontvankelijk voor appellant sub 1.