ECLI:NL:GHARN:2009:BH0884
Gerechtshof Arnhem
- Hoger beroep
- H.M.E. Laméris-Tebbenhoff Rijnenberg
- F. Vellinga-Schootstra
- B.F. Keulen
- Rechtspraak.nl
Veroordeling voor verduistering wegens wederrechtelijke toe-eigening van goederen tijdens verhuizing
Verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld voor verduistering van goederen die zij als huurster onder zich had. In hoger beroep stelde de raadsman dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard moest worden omdat geen transactieaanbod was gedaan, wat volgens richtlijnen verplicht was. Het hof oordeelde dat verdachte in strijd met deze richtlijnen was gedagvaard, maar dat dit geschonden belang voldoende gecompenseerd kon worden door een geldboete op te leggen die overeenkomt met het gebruikelijke transactieaanbod.
Het hof achtte bewezen dat verdachte tijdens haar verhuizing een vrieskist en een kast, eigendom van de verhuurder, wederrechtelijk onder zich had gehouden en als heer en meester over deze goederen beschikte. Dit vormde een inbreuk op het eigendomsrecht en het vertrouwen dat in het maatschappelijk verkeer in een huurder wordt gesteld. Verdachte werd strafbaar verklaard voor verduistering.
Bij de strafoplegging hield het hof rekening met het feit dat verdachte niet eerder was veroordeeld en met het verzuim van het openbaar ministerie om een transactievoorstel te doen. Daarom legde het hof een geldboete op die overeenkomt met het transactieaanbod dat volgens beleidsregels had moeten worden gedaan. Tevens werd vervangende hechtenis van vier dagen bevolen indien betaling uitblijft.
Uitkomst: Verdachte wordt veroordeeld voor verduistering en krijgt een geldboete van 220 euro met vervangende hechtenis bij niet-betaling.