ECLI:NL:GHARN:2008:BG0148

Gerechtshof Arnhem

Datum uitspraak
8 oktober 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-00580
Instantie
Gerechtshof Arnhem
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13d Wet op de vennootschapsbelasting 1969
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gerechtshof Arnhem bevestigt overeenkomst over aandelenwaarde en vergrijpboete in inkomstenbelastingzaak 1998

In deze zaak ging het om een verwijzingsprocedure na een arrest van de Hoge Raad van 7 december 2007, waarbij het Gerechtshof Arnhem de uitspraak van het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch vernietigde en partijen de gelegenheid gaf tot nader overleg. Tijdens de zitting op 24 september 2008 bereikten partijen een vergelijk over de waarde van verkochte aandelen en de hoogte van de vergrijpboete.

De aandelen in B N.V. werden door A B.V. voor een zakelijke prijs van ƒ 414.000 verkocht, waarvan de helft (ƒ 207.000) werd aangemerkt als een zakelijke aankoopprijs en de andere helft als een uitdeling belast tegen 25%. Tevens werd de vergrijpboete verminderd tot ƒ 15.000 en de rente herrekend in overeenstemming met de aangepaste belastingheffing.

Het hof verwierp een voorstel om een finale kwijting tussen partijen op te nemen, omdat de inspecteur slechts bevoegd is belastingschulden te formaliseren en boetes op te leggen binnen de wettelijke kaders. Er werd geen uitspraak gedaan over eventuele andere schadevergoedingen.

Het hof vernietigde de eerdere uitspraken van de inspecteur, stelde het belastbaar inkomen vast op ƒ 243.901, paste de aanslag en boete aan, en veroordeelde de inspecteur tot vergoeding van de proceskosten van € 483. De uitspraak werd op 8 oktober 2008 in Arnhem gedaan en openbaar uitgesproken.

Uitkomst: Het Gerechtshof vernietigt de aanslag en boetebeschikking, vermindert de aanslag tot een belastbaar inkomen van ƒ 243.901 en de boete tot ƒ 15.000, en veroordeelt de inspecteur in de proceskosten.

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem
eerste meervoudige belastingkamer
nr. 07/00580
Proces-verbaal mondelinge uitspraak
belanghebbende : X
te : Z
verweerder : de Inspecteur van de Belastingdienst/P
aangevallen beslissingen : uitspraken op bezwaarschrift tegen aanslag en boetebe-schikking
soort belasting : inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen
jaar : 1998
onderzoek ter zitting : na cassatie en verwijzing bij arrest van de Hoge Raad van 7 december 2007, nr. 43 283, van de uitspraak van het ge-rechtshof te ’s-Hertogenbosch van 6 april 2006, nr. 03/02762, op 24 september 2008 te Arnhem door mr. Den Ouden, voorzitter, mr. Van de Merwe en mr. Nieuwen¬huizen in tegenwoordigheid van mr. Snoijink als griffier
waarbij verschenen : de gemachtigde van belanghebbende, alsmede de Inspec-teur
gronden:
1. Ter zitting van dit Hof, waar gelijktijdig het beroep van A B.V. te Q inzake de vaststelling van haar verlies over het jaar 1998 en de haar voor dat jaar opgelegde aanslag in de vennootschapsbelasting (hofkenmerk 07/00581) is behandeld, zijn partijen tot een vergelijk gekomen dat zij in nacorrespondentie hebben uitgewerkt.
2. Het vergelijk luidt als volgt:
2.1. De waarde van de aandelen in B N.V. zijn door A B.V. voor een zakelijke prijs van (de helft van ƒ 414 000 ofwel) ƒ 207 000 gekocht van haar directeur en enig aandeelhouder, belanghebbende. Dit aandelenpakket vertegenwoordigt een deelneming en het genoemde bedrag vormt het opgeofferde bedrag. Mocht bij liquidatie van B blijken dat op die aan-koopprijs een verlies wordt geleden, dan kan dit worden verrekend op de voet van de artike-len 13d en volgende van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969.
2.2. De andere helft van de betaalde prijs van ƒ 414 000, zijnde ƒ 207 000, wordt bij be-langhebbende in de inkomstenbelastingsfeer belast als uitdeling met het daarvoor staande tarief van 25%.
2.3. De vergrijpboete die bij de onder ?1 genoemde aanslag is opgelegd, wordt verminderd tot ƒ 15 000.
2.4. De verschuldigde rente zal worden herrekend overeenkomstig de onder ?2.2 bedoelde inkomstenbelastingheffing.
3. In de genoemde nacorrespondentie stelt de Inspecteur nog voor dat als vijfde onder-deel van het vergelijk wordt opgenomen: ‘Na bovenstaande afwerking hebben partijen over en weer niets meer van elkaar te vorderen.’ Deze toevoeging kan het Hof niet overnemen. Voor zover de Inspecteur zichzelf als zodanige partij beschouwt, kan hij als daartoe aangewezen bestuursorgaan van de Staat slechts met behulp van hem opgedragen bevoegdheden belastingschulden formaliseren en de in verband daarmee in de wet voorziene boeten opleg-gen. De aanslag voor het onderhavige jaar en de boetebeschikking zijn voorwerp van dit geding, waarin door de Inspecteur met geen ander doel verweer kan zijn gevoerd dan die aanslag en die beschikking formele rechtskracht te doen verkrijgen. De termijn voor navor-dering over het jaar 1998 is inmiddels ruimschoots verstreken. Belanghebbende vordert in dit geding geen vergoeding van andere schade dan zijn proceskosten. Het behoort niet tot de taak van verwijzingsrechter in deze belastingzaak uitspraak te doen over vergoeding van eventuele andere schade die belanghebbende op de Staat – of de Staat op belanghebbende – zou willen verhalen. Zulke schade is overigens in dit geding gesteld noch gebleken.
4. Het Hof zal overeenkomstig het bereikte vergelijk beslissen. Het belastbare inkomen wordt verminderd tot (–ƒ 39 099 [aangegeven] + ƒ 96 000 [compromissoir hoger salaris] + ƒ 207 000 [zie hiervoor onder ?2.2] – ƒ 20 000 [aanmerkelijkbelangverlies] =) ƒ 243 901.
slotsom:
Het beroep is in zoverre gegrond.
kosten:
De proceskosten van belanghebbende zijn in overeenstemming met het Besluit proceskosten bestuursrecht te berekenen op (1,5× € 322,– ×1=) € 483, voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de procedure voor dit Hof.
beslissing:
Het Gerechtshof:
– vernietigt de uitspraken van de Inspecteur;
– vermindert de aanslag tot een, berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 243 901, waarvan een bestanddeel van ƒ 207 000 belast naar het tarief van 25 percent, onder dien-overeenkomstige aanpassing van de berekende heffingsrente;
– vermindert de opgelegde vergrijpboete tot ƒ 15 000;
– veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende voor een bedrag van € 483, te vergoeden door de Staat.
Aldus gedaan te Arnhem op 8 oktober 2008 door mr. Den Ouden, voorzitter, mr. Van de Merwe en mr. Nieuwenhuizen. De beslissing is op dezelfde datum in het openbaar uitge-sproken in tegenwoordigheid van mr. Snoijink als griffier.
Waarvan opgemaakt dit proces-verbaal.
De griffier, De voorzitter,
(W.J.N.M. Snoijink) (R. den Ouden)
Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 10 oktober 2008
Binnen zes weken na de verzenddatum van dit proces-verbaal kan ieder van de partijen tegen deze mondelinge uitspraak beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),
postbus 20 303, 2500 EH Den Haag
(bezoekadres: Kazernestraat 52).
Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:
1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van dit proces-verbaal overgelegd.
2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
Tenzij de Hoge Raad anders bepaalt, zal het gerechtshof deze mondelinge uitspraak vervangen door een schriftelijke. In dat geval krijgt de indiener de gelegenheid alsnog gronden voor het beroep in cassatie aan te voeren.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad worden verzocht om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.