ECLI:NL:GHARN:2008:BC5149
Gerechtshof Arnhem
- Hoger beroep
- J.M.J. Denie
- F.J.P.M. Haas
- R. de Groot
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid hof bij tussentijdse toetsing maatregel plaatsing inrichting stelselmatige daders
In deze zaak stond de vraag centraal of het gerechtshof bevoegd is om tussentijds te toetsen of de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (ISD) moet worden voortgezet. Het hof concludeerde dat de wetgever aansluiting heeft gezocht bij de regeling van de TBS, waarbij de rechtbank die in eerste aanleg kennis heeft genomen van het misdrijf bevoegd is tot deze beoordeling.
Het hof stelde vast dat de wetstekst en parlementaire geschiedenis geen aanwijzingen geven dat een ander gerecht dan de rechtbank bevoegd zou zijn, ook niet indien de maatregel door een hof is opgelegd. De rechtbank had zich eerder onbevoegd verklaard, maar het hof oordeelde dat deze onbevoegdheid onterecht was en dat het hof zelf ook niet bevoegd is om in eerste en laatste instantie te beslissen over voortzetting van de maatregel.
De procedure werd besproken in het licht van artikelen 38s Sr, 509ff Sv en 67 Wet RO. De Penitentiaire Kamer van het hof Arnhem is de aangewezen instantie voor beroep tegen beslissingen van de rechtbank, maar niet voor beslissingen van het hof zelf. Het hof benadrukte dat het openstellen van een beroep tegen een beslissing van een hof aan de wetgever is en niet tot de rechtsvormende taak van de rechter behoort.
Ten slotte benadrukte het hof het belang van rechtsmiddelen voor veroordeelden en het Openbaar Ministerie tegen beslissingen over de ISD-maatregel, waarbij de wetgever een stelsel heeft willen creëren dat vergelijkbaar is met dat van de TBS-maatregel. Het hof verklaarde zich daarom onbevoegd tot tussentijdse beoordeling van de voortzetting van de ISD-maatregel.
Uitkomst: Het hof verklaart zich onbevoegd tot tussentijdse beoordeling van de voortzetting van de ISD-maatregel.